Leesdwang of de onbedwingbare neiging om teksten te lezen
Ik heb de onbedwingbare neiging om teksten te lezen die ik op straat tegenkom. Leesdwang, verklaringsdwang, geef het maar een naam. “Banlieue” staat er op het T-shirt van die meneer. Ik weet dat het voorstad betekent, maar waarom wil hij dit uitdragen? Is hij bang te verdwalen? Zou banlieue ook achterbuurt kunnen betekenen?
Maar er zijn meer woorden die ik op straat krijg aangereikt als prooi van mijn leeshonger. En steeds weer verdiep ik me erin. In etalage-opschriften bijvoorbeeld.
Zo sta ik de laatste tijd vaker stil bij nieuwe etalages op de Binnenweg. Het is me opgevallen dat daar in keurige belettering steeds het woord “dagbesteding” te lezen is. Het is dan alsof ik kijk naar een grafsteen. Niets wijst op enig teken van leven. Soms is er achter de etalageruit een stalen hekwerk zichtbaar dat die doodsheid onderstreept. Een contradictie, want bijna al wat leeft kent een “dagbesteding”. Laten we ons maar even beperken tot de mens. Natuurlijk kende ik het woord, maar het vertoonde zich slechts af en toe. Wanneer er op tv een politicus zijn best deed, verscheen het rechtsboven diens kop in beeld - puur in mijn verbeelding - maar verder dook het niet vaak op.
Hier, op die etalageruit, gaat het om iets concreets. Het is je door een ander laten vertellen wat er zoal op een dag te doen valt en het lijkt me uitsluitend bestemd voor mensen die de regie over hun leven zijn kwijtgeraakt. Een term uit de zorg dus; niet nieuw, maar wel nieuw is dat hij steeds vaker opduikt in het openbaar. Wat nu zou zo’n, waarschijnlijk zeer goed betaalde, “dagbestedingsconsulent” kunnen adviseren? Het rijgen van kralen? Het in gedachten verzonken staren naar de einder? Punniken? De vraag rijst wat men zal kiezen.
Zo schreef G.K. Chesterton over de geneugten van het de hele dag in bed liggen. Het leek hem een ideale vorm van tijdspassering. Vanuit die liggende positie was hij voornemens om op het plafond een schildering te maken met een bezem die in inkt gedoopt was. Zo’n dagbesteding lijkt me voor hem zeer aantrekkelijk, maar voor mij niet. Het gaat hier om ‘maatwerk’. In deze trant zou ik ook wel wat suggesties willen aandragen. Zo kan men, indien gewenst, bureauladen omkeren op een witte tafel en dan de inhoud ervan onderwerpen aan een welis-nietesspel: dat blijft en dat kan weg. Dat spel zou men kunnen voortzetten in commodes, klerenkasten, keukenkasten, dressoirs, etcetera. Tot men er genoeg van heeft, naar buiten gaat en, enige straten verder, het spel voortzet. Maar dan niet met het doel om dingen te herordenen en weg te smijten, maar juist om van alles en nog wat mee te nemen naar huis om het daar weer in diezelfde bureaulade, commode of kast te deponeren. Voorwaarde: dat wat men meebrengt moet nutteloos zijn (gebruikte scheermesjes, soepbeenderen, een set schroevendraaiers van de Dirk, etcetera).
Het lijkt me een mooie manier om je dag te slijten, want zoals iedereen weet is het leven een grote, doelloze kringloop. En daar moet je zin in blijven houden, want anders vind je jezelf op een kwaaie dag terug als cliënt in een winkelpand met daarop in mooie letters: ‘dagbesteding’.