Hans Walgenbach: 'Er gaat niks van de kunst af, er komt alleen maar bij'
Rotterdam op Weg naar Nieuwe Tijden (1) Hans Walgenbach
Wie vandaag de dag door Rotterdam loopt en de nog steeds wat rauwe, internationale kunst- en architectuurscene opsnuift, kan zich haast niet voorstellen hoe zwaarbevochten die identiteit ooit was. In de decennia na het verwoestende bombardement van 1940 lag de absolute prioriteit van de politiek bij de fysieke en economische wederopbouw. Onder het pragmatische motto ‘Geen woorden maar daden’ verrees een stad van beton, staal en glas. Cultuur werd door het stadsbestuur behandeld als een secundaire luxe. Rotterdam raakte intellectueel en artistiek uitgekleed: toonaangevende makers trokken weg en het overgebleven beleid werd streng gecontroleerd door een behoudende bovenlaag van lokale notabelen.
Halverwege de jaren zestig begon dit starre klimaat pijnlijk te wringen met de mondiale tijdsgeest. Eind jaren zestig was ook nationaal een roerige tijd. De roep om democratisering en experiment dwong het stadhuis tot een politieke omwenteling. PvdA-wethouder Jan Reehorst en zijn hoofdambtenaar Jan van Gorkom haalden in 1968 de jonge beleidssocioloog Adriaan van der Staay naar de Rotterdamse Kunststichting (RKS). Van der Staay bracht een revolutionaire visie mee: de stad moest stoppen met het zoeken naar een brave, vaste identiteit en zich juist openstellen voor het grote experiment. Hij verschoof budgetten naar internationale festivals, haalde Hubert Bals naar Rotterdam, overtuigde dichter-publicist Martin Mooij om een nieuw Poëziefestival (Poetry International) te leiden en legde zo de bodem voor een meer grootstedelijke kunstwereld.
Midden in deze dynamische transitie bevond zich beeldend kunstenaar Hans Walgenbach. Als maker, bestuurder, museumdirecteur en galerist / boekhandelaar heeft hij ruim een halve eeuw aan de wieg gestaan van een deel van het Rotterdamse culturele klimaat. Op een van de warmste zomerdagen van het jaar blikt hij terug én vooruit.
‘Rotterdam is een soort gewoonte geworden,’ zegt Walgenbach ergens halverwege het interview. Dat kunnen we ons voorstellen, maar wel, denken we met hem mee, een gewoonte op weg naar een nieuwe tijd.

Het Sluiten van de Boekhandel-Galerie in de Gouwstraat
Aan de Gouwstraat 56c, in de volkswijk Oud-Charlois op Zuid, was van maart 2013 tot augustus 2026 een deel van het fysieke geheugen van de Rotterdamse kunstwereld gevestigd: Walgenbach Art & Books . Na ruim een decennium komt er nu dus een eind aan deze iconische boekhandel annex galerie.
Het besluit om de deuren te sluiten is ingegeven door de genadeloze realiteit van de exploitatie en de, naar zijn leeftijd gemeten, begrijpelijke wens naar meer persoonlijke vrijheid. Walgenbach reflecteert nuchter op het zakelijke aspect van een culturele nering in een van de armere buurten van Rotterdam:
"Ik heb hier bijna € 1100 aan vaste lasten, hè. Moet je heel wat boeken voor verkopen, jongen! Er moet altijd geld bij. Ik heb hier één jaar gehad dat het kostendekkend was. Toen zei mijn boekhouder ook: 'Oh, gelukkig!' [...] En je bent toch drie dagen per week redelijk beperkt in je tijdsverdeling."
Wanneer hem gevraagd wordt hoe hij destijds op deze plek belandde, legt hij uit dat de winkel voortkwam uit een levenslange passie voor het papieren erfgoed en de kunstenaarsgemeenschap:
"In 2013 ben ik hier begonnen. Dat was om mijn eigen boekencollectie van kunstboeken een plek te geven, met een kleine tentoonstellingsruimte erbij. Ook om wat contacten met het kunstenveld te houden. En als je dat doet, zijn er allemaal mensen die hun boekenkasten gaan saneren omdat ze kleiner gaan wonen. Die komen dan bij jou terecht. Gekocht en gekregen."
Ondanks het afscheid kijkt hij zonder wrok naar de wijk Oud-Charlois. Hij zag de buurt de afgelopen vijftien jaar veranderen: van een gebied met een sterke 'negatieve migratie' — waar opgeklommen bewoners wegtrokken naar Barendrecht of Spijkenisse — naar een wijk waar ook yuppen en meer dan honderd kunstenaars via initiatieven als B.a.d. en C3 een plek vonden. Maar armoede blijft een structureel gegeven:
"Toen hier mensen van de Erasmus Universiteit binnenliepen en vroegen wat er moest gebeuren om de middenstand beter te laten floreren, zei ik: 'Nou, dan moet je die mensen hier in de wijk meer geld geven, want dan kunnen ze dat uitgeven. Hier wonen gewoon heel veel arme mensen.' Rotterdam is niet de Coolsingel. Rotterdam zijn juist die wijken zoals Oud-Charlois, de Tarwewijk en Feijenoord."
Van Kunstenaar naar Bestuurder: De Opbouw van de Rotterdamse Kunstinfrastructuur
Nadat hij in 1966 afstudeerde aan de Rotterdamse academie, begon Walgenbach als praktiserend kunstenaar. Hij werkte parttime in de haven als controleur bij Muller Progress om in zijn onderhoud te voorzien en schilderde tussendoor op zijn kamer. Maar al snel werd hij geconfronteerd met de rauwe werkelijkheid van het kunstenaarsbestaan:
"De maatschappelijke respons op kunst is nihil. Je hebt een hele kleine groep die je kunst koopt, de meer gefortuneerde groep. In die tijd bleek uit onderzoek dat slechts 4% van de kunstenaars zelfstandig in hun levensonderhoud kon voorzien. En dat waren niet eens de bekendste. Veel kunstenaars die in elke museale collectie zaten, konden er ook niet van rondkomen."
Via de Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars (BBK) en de BKR-commissie raakte Walgenbach betrokken bij de belangenbehartiging. In 1970 stond hij mede aan de wieg van de allereerste Artotheek Rijnmond (de kunstuitleen). De filosofie hierachter was radicaal en democratisch: kunst die met gemeenschapsgeld was aangekocht via de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR) of de Rotterdamse Kunststichting mocht niet stof verzamelen in openbare depots, maar moest direct toegankelijk worden voor de 'gewone' Rotterdammer.
In 1979 benaderde de gemeentelijke afdeling Kunstzaken Walgenbach om mee te denken over de verzelfstandiging van het beeldende kunstbeleid. Samen met kunstenaar Hans Abelman en Annette Chavannes die daar werkzaam was, legde hij toen met de Nota Integraal Beeldende Kunstbeleid de basis voor een nieuw, omvattend instituut:
"Het begin van het CBK is heel eenvoudig. Men vond op het stadhuis dat een instituut dat controle uitoefende, niet zelf ook uitvoerende taken moest doen. Wij kwamen op de gemeentelijke secretarie te zitten voor 20 uur in de week. Hans Abelman deed de beeldende kunst in de openbare ruimte en de percentageregeling, ik deed de Artotheek, BKR en wijkactiviteiten. Op een gegeven moment kwam kunstcriticus Dolf Welling voorbij en ik vroeg hem hoe we het moesten noemen. Hij zei: 'Centrum Beeldende Kunst.' Dat was het allereerste CBK van Nederland. De nota die wij schreven is later door het hele land nageaapt."
Toen het CBK in 1982 officieel een iconisch pand aan de Binnenweg betrok (een voormalige Amerikaanse autogarage met een enorme autolift die perfect bleek om enorme kunstwerken te transporteren), groeide het uit tot een spil van de stad. Walgenbach en zijn collega’s ontpopten zich tot verdedigers van de positie en het inkomen van de autonome kunstenaar.
De balans tussen het eigen atelier en de bestuurlijke verantwoordelijkheid werd echter onhoudbaar:
"Rond 1983 of 1984 kwam ik voor de keuze te staan: stop ik ermee of ga ik me helemaal organisatorisch inzetten? Samen ging het niet meer. Ik werd voor 20 uur betaald, maar werkte 60 uur voor het CBK. Paul van der Eerden zei later gekscherend over mij: 'Beter een goede ambtenaar dan een slechte kunstenaar.' Maar dat werk voor het CBK gaf mij gewoon ontzettend veel voldoening omdat we echt iets maakten wat geweldig ging en van de grond kwam."
Walgenbach werd aangesteld als directeur van het CBK Rotterdam. Toen de landelijke BKR-regeling in 1987 onder minister Eelco Brinkman werd afgeschaft, wist Walgenbach het vrijgekomen budget slim om te buigen. Het CBK kreeg een aankoopbudget dat op een gegeven moment groter was dan dat van Museum Boijmans Van Beuningen voor Rotterdamse kunstenaars. Dit leidde tot initiatieven zoals Villa Alckmaer en uiteindelijk de oprichting van de bekende tentoonstellingsruimte TENT in 1999.
Hans Blauw: Opgegroeid op de Rand van de Oorlog, Vergroeid met de Stad
Dat Walgenbach een 'absolute Rotterdammer' zou worden, lag geografisch gezien niet voor de hand, maar emotioneel en historisch juist wel. Hij werd op 8 augustus 1945 geboren in Landstuhl (Duitsland), waar hij hooguit een handvol maanden heeft ‘gewoond’. Zijn moeder was in 1943 als 19-jarige Rotterdamse getrouwd met een Duitse marineman. Na een hachelijke vlucht met de laatste trein uit marinehaven Stettin, haar man op zee, en het bombardement op Potsdam beviel zij in Zuidwest-Duitsland van een zoontje: Hans. Met hem keerde ze terug naar het verwoeste Rotterdam. Pas twee jaar later hoorde zij dat haar man in april 1945 was verdronken in het Kattegat.
"Toen ik een half jaar of negen maanden was, woonde ik weer in Rotterdam bij mijn grootouders op de Kerkhoflaan. Er was een waanzinnige woningnood in '45/'46, iedereen woonde bij iedereen in. Mijn moeder verdiende de kost met het maken van hoedjes. Ze liep er niet mee te koop dat mijn vader een Duitser was. Ik ging naar de bewaarschool onder de naam van mijn moeder. En heel lang heette ik voor vriendjes in de buurt 'Hans de Blauw', want dat stond op ons naamplankje op de deur nadat mijn moeder in 1949 was hertrouwd. Pas op de lagere school hoorde ik dat ik officieel Walgenbach heette."
Zijn jeugd werd gevormd door het lege, opgeruimde landschap van de wederopbouwstad:
"Als kind van zes reed ik met lijn 15 vanaf de Kruiskade naar mijn grootouders aan de Kerkhoflaan, in de bocht van de Rotte. Je reed alleen maar door lege gebieden. Het was keurig opgeruimd, maar het was leeg. En ik herinner me de Nieuwe Binnenweg met al die witte noodwinkels. Rotterdam is een soort gewoonte geworden. Als je hier zo lang rondloopt, raak je er helemáál mee vergroeid."

'Ik wilde een museum over de geschiedenis van álle Rotterdammers.' Foto RP Glasbergen
De overstap naar het Historisch Museum
In september 1999 maakte Walgenbach een opmerkelijke overstap: hij werd gevraagd om directeur van het Historisch Museum Rotterdam te worden. (gehuisvest in het Schielandshuis en de Dubbelde Palmboom). Tegelijk was hij, tot een opvolger gevonden nog even directeur van het CBK. In zijn nieuwe baan trof hij een instituut aan dat in zijn ogen ernstig achterliep op de maatschappelijke werkelijkheid van de stad:
"De eerste dag dat ik daar kwam, zei een van de suppoosten tegen me: 'Meneer Walgenbach, we zijn hier helemaal niet stoffig!' Want ik had in een interview gezegd dat het museum een stoffig imago had. Maar als ik het - enigszins gechargeerd - in een paar woorden moet zeggen: het was een 17e-eeuws paleisje waar gegoede burgers spullen uit hun eigen geschiedenis terugvonden. Maar we leefden in een stad met 165 nationaliteiten! Je kunt niet alleen een antiquariaat zijn voor de gegoede klasse. Ik wilde een museum over de geschiedenis van álle Rotterdammers — ook over de mensen die de haven met hun handen hebben gegraven."
Walgenbach zette een vernieuwingskoers in gericht op inclusiviteit, stadsgeschiedenis en jongerencultuur (zoals de grote expositie 2000 Jong). Dit bracht hem halverwege zijn directeurschap (1999–2011) in een veranderd politiek klimaat. Na het vervliegen van het enthousiasme rond Culturele Hoofdstad 2001 en de opkomst van Leefbaar Rotterdam onder Pim Fortuyn en Marco Pastors, veranderde de verhouding met het stadhuis:
"Na Culturele Hoofdstad viel er gevoelsmatig een matte deken over de stad. Marco Pastors zei destijds letterlijk tegen mij: 'Zolang als ik in het college zit, komt er geen cent voor kunst en cultuur meer bij.' Maar ik heb me nooit rechtstreeks met de politieke discussie bemoeid. Mijn taak was om ruimte te maken voor de verhalen van de stad."
Over het historische Schielandshuis zelf bleef hij altijd kritisch prozaïsch:
"Ik vind het een heel mooi gebouw, maar als museum voor een dynamische stad als Rotterdam volstrekt ongeschikt. De stijlkamers waren immers grotendeels nep, afkomstig uit een gebombardeerd pand aan de Wijnhaven. Hoe kan je hier het grote verhaal van Rotterdam vertellen? Hoe krijg je de mensen uit de wijken nou die trappen op in het Schielandshuis?"
Kunst, Technologie en de Toekomst: De Sluiting als Nieuw Begin
Ondanks het sluiten van zijn winkel in Charlois bevindt Hans Walgenbach zich allerminst in een melancholische staat. Een sluiting is voor hem simpelweg een herverdeling van tijd en een nieuw begin.
In de zomer van 2026 staat het reizen weer voorop. Samen met oude vriend Aad van den Bremer maakte hij recent nog een fietstocht van Passau naar Wenen — 300 kilometer langs de Donau:
"Ik word nu 81 in augustus. Ik ben eigenlijk nooit ziek geweest, maar op deze leeftijd moet je afwachten hoe het met je gezondheid gaat. Wat ik nu wil doen is kortere reisjes maken. Gewoon eens een paar dagen naar een leuke en goede tentoonstelling in België, Duitsland of Frankrijk."
Als hij kijkt naar de toekomst van de kunst, de opkomst van kunstmatige intelligentie en nieuwe technologieën, weigert hij mee te gaan in doemdenken of behoudendheid. Hij herinnert zich nog goed hoe in de BKR-commissie ooit schamper werd gedaan over nieuwe media:
"In de jaren tachtig zei de rijksgecommitteerde: 'Fotografie is geen kunst, dat komt er niet in. Video is ook geen kunst.' Totdat iemand zei: 'Ja, maar olieverf is eigenlijk ook geen kunst.' Uiteindelijk werd het geaccepteerd. Er gaat niks van de kunst af, er komt alleen maar bij. Een gedicht zal nooit verloren gaan; mensen blijven dichten en kunst maken, alleen gebruiken ze misschien andere gereedschappen. Uiteindelijk gaat het erom: heeft het iets te betekenen?"
Hij maant de cultuurwereld om niet bang te zijn voor technologische omwentelingen zoals Artificiële Intelligentie, maar juist waakzaam te blijven voor te veel commerciële, maatschappelijke of overheidssturing op de inhoud van kunst:
"Waar ik wél een punt van maak, is als de overheid zich inhoudelijk te veel met kunst gaat bemoeien. Dat je alleen nog subsidie krijgt als je werk 'maatschappelijk relevant' of 'inclusief' is als vastgesteld criterium. Ik ben heel sterk voorstander van voorwaardenscheppend beleid: dat je ruimte maakt in plaats van beperkingen oplegt. En wat nieuwe technologie betreft: toen de eerste auto’s gingen rijden, moest er ook iemand met een rode vlag voorlopen. Je moet nieuwe ontwikkelingen op hun merites beoordelen en er niet bang voor zijn."
Met die flegmatieke, onvervalst Rotterdamse blik sluit Hans Walgenbach een hoofdstuk af aan de Gouwstraat — niet als een afscheid van de kunst, maar als een volgende stap in een leven dat hoe dan ook onlosmakelijk verbonden blijft met het wedervaren van de Maasstad.
Walgenbach Art & Books. Foto RP Glasbergen
