Cafélawaai

26 februari 2020 door Alek Dabrowski
Cafélawaai

Vraag een willekeurige Rotterdamse kroegtijger wat hij zich nog weet te herinneren van de laatste maanden van 2019 en na een moment van stilte zal de naam van Jules Deelder vallen. Op 24 november vierde de stad uitgebreid zijn vijfenzeventigste verjaardag, een maand later stierf Deelder toch nog tamelijk onverwachts. Na het feest, het verdriet.

 

Op 19 december, Deelders sterfdag, had Anton Slotboom het boek over zijn held al bij de uitgever ingeleverd. Direct liet hij de drukpersen stopzetten om er enkele hoofdstukken aan toe te voegen. Begin februari lag ‘De zin van het leven ben je zelf’ in de boekwinkels. De eerst druk was snel uitverkocht. De interesse in alles over het werk en leven van Deelder zal voorlopig blijven. Rond zijn verjaardag hoorde ik op Radio Rijnmond een prachtig interview, of meer een gesprek, tussen Jules Deelder en Roland Vonk.

 

Natuurlijk ging het in de muziekkelder van Deelder ook over sterfelijkheid en ouderdom. Ik hoorde Deelder zeggen dat hij niet zo vaak meer in cafés kwam omdat  de herrie niet te doen was, uitgezonderd natuurlijk rustige kroegen als zijn stamcafé Ari. Vroeger stond volgens hem de muziek niet zo hard en was er sowieso minder herrie om je heen. Je kon tenminste gewoon een gesprek voeren. Ik herken het. Veel mensen van mijn leeftijd klagen over cafélawaai. Maar is het waar? Deelder noemde een van die cafés waar hij vroeger graag kwam om aan de bar te kletsen: Café Van Kampen en de Wit. Er ging bij mij direct een luikje met herinneringen open.

 

Van Kampen en de Wit! Het langwerpige café met achterin een wat breder deel, zat aan de Nieuwe Binnenweg op de plek waar later de Lachende Paus Rotterdam van geestverruimende pillen voorzag. In mijn herinnering was de bar eindeloos lang. Ik kwam er voor het eerst ergens halverwege de jaren tachtig, exacte data ben ik kwijt. Ik denk dat de kroeg uiteindelijke maar een paar jaar heeft bestaan, maar ik kan mij vergissen.

 

Het was een plek waar bijzondere Rotterdammers kwamen en waar meer gebeurde dat alleen maar zuipen. Al moet ik toegeven dat het innemen er op bepaalde tijden olympische vormen kon aannemen. De barvrouw /eigenaar was een bekende Rotterdamse kroegbazin. Zij had een paar ferme zonen die meehielpen in de zaak. Haar belangstelling of liefde voor alles wat Russisch was ging zo ver dat zij haar kinderen Russische voornamen had meegegeven; zo stond er volgens mij een Pjotr achter de bar.

 

In Van Kampen en de Wit werden exposities georganiseerd, er hing gewoon kunst aan de muur. Op zondagmiddag werd er geregeld poëzie voorgedragen en je kon er schaken. Eens speelde ik mee in een schaaktoernooitje: goed georganiseerd en zeer serieus. De prijzentafel stond vol glanzende flessen drank. Ik won zowaar en eigende mij de wodka toe. De fles ging onmiddellijk open. Na al dat bier was het tijd de kelen los te branden.

 

Ik was geen wekelijkse, laat staan dagelijkse bezoeker van Van Kampen en de Wit. Het fenomeen stamkroeg was en is niet aan mij besteed. Ik verdeel mijn aandacht liever. Jules Deelder zag ik er wel eens, maar hem aanspreken deed je niet. Wie ik wel sprak aan de bar was Scooter. Meestal was hij lam en zeer spraakzaam. Scooter was een losgeslagen, vrolijke gek. Hij zong in punkbandjes en kon naast schreeuwen heel goed kwijlen. Stond hij tegen je aan te lullen dan vloog het speeksel om je hoofd. Sowieso kostte het hem geen moeite zijn sappen te laten lopen. Hij legde uit dat hij er zich er niet voor geneerde gewoon tegen de bar aan te zeiken wanneer een wandeling naar de toiletten hem te veel energie vergde en het bovendien betekende dat hij zijn betoog moest onderbreken. Gelukkig gaf hij geen demonstratie.

 

Lullen aan de bar kon je er dus volop. Er werd zelfs gezongen, een speciaal kroeglied op de maat van Yellow Submarine, waarvan ik mij slechts de regels ‘Van Kampen en de Wit, Van Kampen de Wit’ kan herinneren. Dat de muziek louter achtergrondbehang was, zoals Deelder veronderstelde, daar staat mij niets van bij. Meestal was je na een avond Van Kampen en de Wit je stem kwijt. Het geluidsniveau was niet milder dat in andere cafés in die tijd, zoals de Consul of De Vagebond. Of ik iets onthouden heb van al die gesprekken? Nauwelijks. En dat is het misschien wanneer je ouder wordt: je hoort minder, maar je wil steeds minder missen. Jules Deelder kampte hier wellicht ook mee. Zijn nieuwsgierigheid is nooit afgenomen, zijn gehoorvermogen misschien wel.

Over de columnist

Alek Dabrowski

Alek Dabrowski (1965) is literaire duizendpoot: boekverkoper, blogger, recensent en interviewer. Hij werkt voor festivals, bibliotheken en literaire tijdschriften. Alek is Rotterdammer en liefhebber van cafés. (Foto: Wim de Boek)

Beatrix' Buitenhuwelijk
07 jul
Beatrix' Buitenhuwelijk
Mijn ontmoeting met Carola Schouten
07 jul
Mijn ontmoeting met Carola Schouten
Op z'n kop
30 jun
Op z'n kop
Eindelijk worden de intellectuelen te  grazen genomen
30 jun
Eindelijk worden de intellectuelen te grazen genomen
Schimmige gedaanten van het fascisme
22 jun
Schimmige gedaanten van het fascisme
Cookies

Deze website gebruikt noodzakelijke cookies voor een correcte werking en analytische cookies (geanonimiseerd) om de statistieken van de website bij te houden. Marketing cookies zijn nodig voor laden van externe content, zoals YouTube-video's of widgets van Sociale Media. Zie ons cookiebeleid voor meer informatie, of om je instellingen later aan te passen.