Inloggen Registreren

Jenseits des Weißwurstäquators en de kunst van de bijnaam

07 november 2026 • 01:05 door Ard Heuvelman
Jenseits des Weißwurstäquators en de kunst van de bijnaam
'Agent Orange' en de 'Adelaar van Toledo' Bld. v&m

Het is de laatste jaren bepaald geen saaie boel in de wereld. Ga maar na: de coronapandemie, de Oekraïense oorlog, de totale vernietiging van Gaza, het gedonder in Iran en omgeving, en als kers op de taart ook nog Donald Trump.

Donald Trump, president van het zeer gemengde volkje uit de Verenigde Staten, ziet er toch echt uit als het stereotype van een Duitser, en dat zit hem dan ook in het bloed. Grootvader Friedrich Trump was er een, en zelfs niet eens van ‘jenseits des Weißwurstäquators’, zijnde Beieren, maar gewoon uit Rheinland-Pfalz. Deze Friedrich vertrok naar de VS om aan de militaire dienstplicht te ontkomen, en bezat daar na verloop van tijd op verschillende plaatsen goedlopende bordelen, tot zelfs in de goudkoortsregio Klondike, waarmee hij massa’s geld verdiende. Zijn zoon Fred zette het goede werk voort in de vastgoedsector en werd schatrijk met appartementen in Brooklyn. Hij kreeg vijf kinderen, onder wie Donald, die dus met een gouden lepel is geboren.

Je zou denken dat de man naast een gouden bestek wel een aantal aardige bijnamen bezit, maar dan kom je bedrogen uit. Er zijn er wel aardig wat bedacht, maar die raken de kern toch niet echt. Meest bekend is “The Donald”, dat is natuurlijk niks. Beter zijn verwijzingen naar zijn uiterlijk, zoals “Agent Orange” vanwege zijn merkwaardige huidskleur en “Tiny hands” om zijn niet bij het formaat van zijn lijf passende klauwtjes. Vrijwel niets heeft betrekking op zijn voortdurende hang naar nog verdere verrijking. “De graaier” zou wel kunnen, maar die bijnaam heeft betrekking op massa’s andere bekende lui uit de politiek en het bedrijfsleven en is dus totaal niet meer onderscheidend. Misschien is “Donald Pluk” dan wat aardiger. Ook heeft bijna niets betrekking op zijn desastreuze buitenlandbeleid. Wellicht zou “Warhoofd” wat zijn. Het verwijst naar zowel zijn uiterlijk als naar zijn zwalkende beslissingen. In het Engels zou “Warhead” heel goed kunnen als het gaat om zijn agressiviteit naar tegenstanders.

De bijnaam “Blonde Dolly” zou hem ook wel passen, maar die is al gereserveerd voor Geert Wilders. De Nederlandse politiek kent zeker mooie bijnamen. Zoals voor onze ex-premier Mark Rutte, de “Tefalpremier”, omdat alle kritiek moeiteloos en razendsnel van hem afgleed. En wat te denken van “Harry Potter” (Jan Peter Balkenende) en “Eucalypta” (Femke Halsema)? Heel wat aardiger dan bijvoorbeeld “Botox” voor Vladimir Poetin.

Veel en mooie bijnamen zijn er in de beroepsgroep van de misdaad, om maar een sector dicht grenzend aan de politiek te noemen. Bekend is natuurlijk, vanwege de Heineken-ontvoering, “De Neus” (Willem Holleeder), net zoals “Flipper” (Cor van Hout). “De Hakkelaar” was een drugsbaron. De bijnaam slaat op zijn stotterafwijking en de plaats waar hij begon als autohandelaar: naast het Shell-benzines-s-s-station De Hackelaar aan de A1. En in het verleden “Gerrit de Stotteraar”, de beruchtste inbreker die Nederland ooit heeft gekend. Niet te verwarren met “De Meesterkraker”, die kluizen openmaakte met een thermische lans. En wat te denken van “De Dominee” voor een geharde drugsdealer?

Maar wat bijnamen betreft torent de wielrennerij met kop en schouders boven alle overige beroepen en bezigheden uit. Er was zelfs een tijd dat alle renners een bijnaam hadden. Renners zonder bijnaam bestonden haast niet vóór 1960. Zo werden de eerste edities van de Tour de France gewonnen door ‘le petit ramoneur’,‘le fleurist’,‘le boucher’,‘le géant de Colombes’ en ‘le frisé’. Een bont gezelschap van schoorsteenveger, bloemist, slager, reus en krullebol. De eerste grote Italiaanse vedette was “il diavolo rosso” in de persona van Giovanni Gerbi, en in België uiteraard “De Leeuw van Vlaanderen”, die eigenlijk Cyriel Van Hauwaert heette. In Frankrijk werd Cyriel dan weer “ventre ouvert” genoemd vanwege zijn enorme eetlust. Dat was in een tijd dat Nederland geen wegrenners van betekenis telde, simpelweg omdat wielerwedstrijden op de weg in Nederland vanaf 1905 verboden waren.

In Italië zagen we al snel een nieuwe ster met Carlo Galetti, “de eekhoorn van de grachten” (il scoiattolo dei Navigli), genoemd naar een buurt in Milaan. De volgende grote vedetten in het Italiaanse wielrennen waren Costante Girardengo, opgevolgd door Alfredo Binda. Girardengo was een boerenzoon uit Novi Ligure en werd gewoonweg “campionissimo” genoemd. Binda kwam er beter vanaf met “il trombettiere di Cittiglio” vanwege zijn vaardigheden op de trompet. Italië levert in de loop der jaren nog een aantal “locomotieven” op met Learco Guerra en Ercole Baldini, maar gaat daarna steeds meer over op dierennamen, zoals de cobra, de krekel, de hagedis, de valk en de buffel, met als uitschieters “de dolfijn van Bibione” en “de haai van Messina”.

De grote bergkoningen uit de jaren vijftig heetten “de engel van de bergen” (de Luxemburger Charly Gaul) en “de adelaar van Toledo”, namelijk Federico Bahamontes. De Nederlander Harm Ottenbros werd volkomen onverwacht wereldkampioen in 1969, en omdat hij nauwelijks tegen een brug op kon rijden, tooide hij zichzelf met de naam “de adelaar van Hoogerheide”. Onze beste renner uit die tijd heette gewoon Jan Janssen. In Frankrijk stond hij bekend als “le professeur”, omdat hij met zijn brilletje getooid altijd na de koers het wedstrijdverloop zeer deskundig in het Frans kon duiden.

De coureur met de meeste bijnamen was zonder meer de kleine Breton Jean Robic, die Frankrijk in vuur en vlam zette met zijn overwinning in de eerste naoorlogse Tour in 1947. Hij versloeg zijn landgenoten Fachleitner (“de herder van Manosque”), die elke avond naar huis belde om met zijn hond te praten, en Brambilla, “de klompkin”, die als hij slecht reed zijn bidon met rode wijn leeggooide omdat hij die dan niet verdiende. Robic, soms bijgenaamd “de haan”, maar ook “het leren hoofd” vanwege zijn grote leren valhelm, werd meestal “le biquet” genoemd. Het geitje dat voortdurend mekkerde dat het ‘onweerstaanbaar’ was. Uiteindelijk kon hij het zegeboeket aan zijn vrouw Juliette in het Parc des Princes aanbieden. Trots als een pauw, ware het niet dat hij ook al bekendstond als “de mees van Radenac”.

Lezers zijn denkers: wat denk jij? Reageer hieronder.
Cookies

Deze website gebruikt noodzakelijke cookies voor een correcte werking en analytische cookies (geanonimiseerd) om de statistieken van de website bij te houden. Marketing cookies zijn nodig voor laden van externe content, zoals YouTube-video's of widgets van Sociale Media. Zie ons cookiebeleid voor meer informatie, of om je instellingen later aan te passen.