Monsieur Jacques & Madame Jacqueline
Monsieur Jacques geldt als een typisch Rotterdams icoon. Wonderlijk: Rotterdam ziet zichzelf als een 'stad van doeners' … ‘de hemden worden hier met de mouwen opgerold verkocht’ … ‘niet lullen maar poetsen’ … en meer van dat soort proza ‘dat op je afkomt als een man’...
Maar aan het eind van de Coolsingel staat dat schuchtere bronzen heertje op een drietredig trapje: Monsieur Jacques. Zijn voeten in een balletpas. Zijn handen met zijn hoge hoed ontspannen op de rug. In alles het tegendeel van het gebruikelijke beeld van de Rotterdammer. Niks stoere havenarbeider! Niks harde ‘Amerikaanse’ zakenman (‘Zaken zijn zaken!’ — Bul Super!). Dit is een dromerige estheet.
Jarenlang prijkte er ook een exemplaar van Monsieur Jacques naast het gemeentehuis van Heerlen, mijn geboorteplaats. Later is het beeld verplaatst naar de Promenade, Heerlens grootste winkelstraat. Daar staat het nu nog.
Alfred Kossmanns woord ¹: “Zo ik iets ben, ben ik een Rotterdammer, zo ik iets ben…” pleeg ik dan ook als volgt te parafraseren (en aan te vullen): “Zo ik iets ben, ben ik een Heerlenaar, zo ik iets ben… en tevens een Rotterdammer.” Want ik ben immers een Heerlenaar die sinds jaar en dag in Rotterdam woont… ja, zelfs twaalf jaar in de Rotterdamse gemeenteraad heeft gezeten, als fractievoorzitter van de Stadspartij Rotterdam.
Geen wonder dus dat het beeld op de Coolsingel me altijd heeft geïntrigeerd. Ik probeerde het symbolisch te duiden. Voor mij stond en staat het beeld voor de overeenkomst tussen Heerlen en Rotterdam. Heerlen, eens de Parel van de Mijnstreek, en Rotterdam, eens wereldhaven nummer één...
De op- en neergang van Heerlen spiegelt in zekere zin de op- en neergang van Rotterdam. Beide steden kwamen op tijdens de boom van de industrialisatie aan het begin van de twintigste eeuw. Beiden bereikten na de Tweede Wereldoorlog een nieuw hoogtepunt tijdens de periode van de wederopbouw, en toen… ja, en toen…
Heerlen was het eerst de klos. In Limburg werden de mijnen gesloten. Weg werkgelegenheid, weg voorspoed! Rotterdam volgde. In een geautomatiseerde haven is nauwelijks nog plaats voor ongeschoolde handenarbeid. Weg heroïsche mijnwerker “die Nederland warm houdt”, weg dito havenarbeider “over wiens rug het allemaal wordt verdiend”...
Nu iets merkwaardigs. In de jaren zestig, toen Den Uyl, toen minister van Economische Zaken, het dramatische besluit nam de mijnen te sluiten ², uitgerekend toen werd in Heerlen een exemplaar van Monsieur Jacques geplaatst. Monsieur stond toen al in Rotterdam. Dat beeldje had eerst – in 1958 – op de Wereldtentoonstelling in Brussel gestaan in het Nederlandse paviljoen. Het heette daar De tentoonstellingsbezoeker. Vandaar de beschouwende blik.
Later is het Monsieur Jacques gaan heten, omdat beeldhouwer Oswald Wenckebach de fysionomie van de dichter J.C. Bloem, met wie hij bevriend was, als uitgangspunt zou hebben genomen bij de vervaardiging van het beeld. En die Oswald Wenckebach was afkomstig uit… Heerlen. Zijn vader, ir. H.J.E. Wenckebach, was er de eerste directeur van de Staatsmijnen.
Uitgerekend dus op het moment dat de steenkool in Nederland als brandstof werd uitgerangeerd en vervangen door stookolie, massaal opgeslagen in en doorvervoerd vanuit de Rotterdamse haven (gas kwam pas veel later), verscheen Monsieur Jacques te Heerlen.
Sindsdien heb ik het gevoel dat ik een beetje Monsieur Jacques ben... Maar dan ‘andersom’. Ik ben immers een dichter, een (woord)kunstenaar afkomstig uit Heerlen, die zich staande heeft proberen te houden in de Rotterdamse politiek. Feit is dat de partij die ik leidde, de Stadspartij Rotterdam, succesvol het verzet heeft weten te organiseren tegen de afbraak van de stad Rotterdam in elf dwerggemeentes.
Maar mijn beslissing tot verzet had (en heeft) natuurlijk alles te maken met de gruwelijke afbraak van de Mijnstreek. Zowel geestelijk als materieel. Waar men bijvoorbeeld werkelijk alle artefacten in het landschap rond Heerlen die ook maar enigszins aan de mijnen herinneren – koeltorens, glorieuze schoorstenen als de Lange Lies en de Lange Jan, et cetera – heeft neergehaald. En daarmee de Mijnstreek zogezegd haar ziel heeft ontnomen.
Dat is te Rotterdam mislukt. En daarom mompel ik soms zachtjes voldaan voor me heen: Monsieur Jacques, c’est moi, un peu!
Rest mij nog aandacht te schenken aan mevrouw Kröller-Müller, de echtgenote van een Rotterdamse havenbaron en een groot mecenas voor de kunsten – dat laatste is iets wat tegenwoordig helaas nog maar weinig voorkomt in Rotterdam. Het is dan ook terecht dat Monsieur Jacques in zijn derde verschijningsvorm voor de deur van haar museum staat op de Hoge Veluwe. Men zou haar, een klein vrouwtje (1,55 m) maar een groot esthete, immers met goede reden Madame Jacqueline kunnen noemen.
¹ Kossmanns woord is op zich weer een parafrase op Couperus’ woord: “Zo ik iets ben, ben ik een Hagenaar, zo ik iets ben.” Mededeling van de dichter Anton Korteweg aan ondergetekende op 19 mei 2019.
² Vrijdagmiddag 17 december 1965 even na 16.00 uur kondigde Den Uyl in de Stadsschouwburg van Heerlen de sluiting van de mijnen in Limburg aan. Er was geen toekomst meer voor de mijnindustrie. Die had de concurrentie van goedkope kolen uit de VS en de strijd tegen olie en gas verloren. “Geen mijnsluiting zonder redelijk perspectief op vervangende werkgelegenheid”, heette het.
Op dat punt is het misgegaan. Wel bracht Den Uyl een subsidiestroom op gang die zijn weerga niet kende (5 miljard gulden / 2,26 miljard euro), maar al dat geld heeft niet voorkomen dat de transitie van een regio die economisch geheel gebaseerd was op de steenkoolindustrie naar een Mijnstreek gebaseerd op andere vormen van nijverheid, mislukte.
Want het ging ernstig mis met de besteding van al die miljoenen aan steun. Tussen 1966 en 1972 vestigden zich weliswaar 92 nieuwe ondernemingen in de Mijnstreek. Maar het bleken veelal zwakke bedrijven, die de vestigingspremies opstreken en vervolgens doodrustig failliet gingen.
Terwijl het eens zo welvarende Heerlen in een vrije val geraakte, waren de mijnsluitingen een zegen... voor Maastricht! Het kreeg o.a. een universiteit, een congrescentrum, het prestigieuze museum Het Bonnefanten, twee grote bruggen over de Maas, een Theater aan het Vrijthof en een grondige restauratie van de historische binnenstad.
Heerlen profiteerde dus niet of nauwelijks. De kanslozen in de voormalige mijnwerkerswijken bleven achter, gevangen in hun uitkeringen. De hoger opgeleiden vertrokken, inclusief de creatieve elite.
Tu quoque, Brute!
Inderdaad. Ook ik besloot niet terug te keren na het voltooien van mijn studie rechten & criminologie in Leiden, maar in de Randstad te blijven. Al had dat meer te maken met het Fries zijn van mijn vrouw... Want mijn Aanbedene wilde per se niet naar Limburg, zoals ik trouwens per se niet naar Friesland wilde. Blijven in de Randstad was dus het compromis. Marieke als huisarts in Delfshaven, ik als docent Strafrecht & Criminologie aan de Erasmus Universiteit.
Inloggen om te reageren — Nog geen account? Registreer hier