Matsuo Bashō, Japans grootste haikudichter
(vervolg van een bezoek aan Voorlinden) Kunst maakt dorstig, maar een kantine kent het Wassenaarse kunstgebouw niet. Voor de horeca moet je naar het kasteelachtige landhuis op het landgoed, de Villa Loudon, een vijftig meter verderop. Daar aangekomen overviel me een déjà vu. I have been here before! Ik herkende het gebouw als de voormalige vestigingsplek van het opleidingsinstituut voor PTT-ambtenaren. Eind jaren tachtig heb ik daar mijn eerste haikucursus gegeven; dat wil zeggen, mijn eerste haikucursus voor niet-delinquenten. Want ik had de cursus oorspronkelijk voor mensen in de gevangenis ontwikkeld.
Toen ik nog voorzitter was van de Coornhert Liga, de vereniging tot strafrechthervorming, was ik mij op een gegeven moment gaan afvragen: waarom doe ik ook niet iets met mijn dichterschap? Waarom geef ik geen cursus poëzie aan gedetineerden? En dat heb ik toen gedaan. Die cursussen hadden succes. Niet in die zin dat de gevangenen na het volgen van mijn cursus, eenmaal terug in de maatschappij, plots wars waren van elke vorm van crimineel gedrag. Dat niet, helaas. Maar omdat menig gedetineerde voor het eerst in zijn leven aangesproken werd op zijn spiritueel-creatieve kunnen en daar dankbaar voor was.
Voor de haiku koos ik omdat het een relatief simpele vorm van poëzie beoefenen is. De haiku bloeit dan ook in Nederland. Er zijn talloze haikuclubs, want de Nederlander houdt van poëzie als het maar niet te veel is. Dan kom je al gauw terecht bij de haiku.
Sinds wanneer schrijven wij, westerlingen, haiku's? Sinds Hiroshima?
Klaarblijkelijk had ik dit alles verdrongen, waarschijnlijk omdat die haikucursus met die PTT'ers een nogal onverwacht verloop had. Er hadden zich acht vrouwen en vier mannen opgegeven. (Vrouwen zijn in het algemeen meer in voor dit soort activiteiten, is mij gebleken). Allen behoorden tot de subtop van de PTT (tegenwoordig KPN). Directeuren van postkantoren in middelgrote steden in Nederland.
Mijn inleiding wijdde ik aan Matsuo Bashō, Japans grootste haikudichter. Bashō betekent ‘bananenboom’, want onder de bananenboom op het dorpsplein placht Matsuo plaats te nemen op zijn rondtocht door Zuid-Japan. De dorpelingen kwamen dan eerbiedig naar hem, de meester, toe om hun haiku’s te laten keuren. In ruil daarvoor verschaften zij Bashō en zijn leerlingen voedsel en onderdak.
Maar Matsuo Bashō hield ook wel sessies met alleen zijn leerlingen. Net als Jezus – dichter van een van de bekendste joods-boeddhistische verzen ter wereld, nl. “Zalig de zachtmoedigen” alias de Bergrede – had Bashō twaalf leerlingen. Waarvan de jongste en geliefdste, zogezegd de 'Johannes made in Japan', Kikaku Enomoto heette. Ook Bashō werd 'de Meester' genoemd, dit vanwege de volmaaktheid van zijn dichtkunst.
Eens zaten Bashō en zijn twaalf leerlingen in meditatie verzonken voor hun tekenbordjes. Japanse woorden zijn immers pictogrammen; Japanse dichters zijn tevens kalligrafen. Gelijk zenmonniken zaten ze te wachten op de lichtflits van hun inspiratie (satori). En zie, plotseling kreeg Kikaku Enomoto de geest en hij penseelde neer:
Rode libel trek hem zijn vleugels uit rode peper!
Het o- en a-geroep van de andere leerlingen was niet van de lucht. Wat een prachtige haiku! Maar Bashō zweeg. De Meester zweeg! Consternatie! Hoe nu? Was het dan eigenlijk toch geen fraai vers? Japanners plegen immers geheel van slag te raken als zij, de ‘nietswaardigen’, iets mooi vinden, maar de Meester, de ware autoriteit, dat niet vindt. Toen eindelijk iedereen weer stil was, stond Bashō op en draaide het tekenbord om. Nu stond er:
Rode peper geef hem vleugels rode libel!
Kijk, daarom noemt men Bashō terecht de Meester. Nu was het gedicht immers niet enkel esthetisch, maar ook ethisch verantwoord, want in overeenstemming met de leer van Boeddha, die o.a. inhoudt dat zelfs het kleinste levende schepseltje op aarde geen onnodig leed mag worden berokkend.
Het is niet zo dat dit louter oosters denken is. Het Westen kent deze vorm van denken ook... hééft het gekend, moet ik zeggen. Bij de oude Grieken heet dat kalokagathia. Een kunstwerk dient mooi (kalos) én goed (agathos) te zijn. Esthetisch en ethisch verantwoord. Een gedachte die de hedendaagse kunst duidelijk heeft losgelaten. Een kunstwerk hoeft vandaag de dag niet per se ethisch goed te zijn. Eerder het tegendeel. En zelfs niet eens meer mooi. De moderne museale wereld en de galeriewereld geven daar voorbeelden te over. Voorlinden niet uitgezonderd.
Ja, ik beken: ik lijd aan Sehnsucht naar kalokagathia. Aan een herstel van de verbintenis tussen het Schone, het Goede en het Ware. Ik besef dat het slechts een licht, vederlicht herstel kan zijn. Zoiets als de veertjes in het kooitje van Marcel Broodthaers.
De deelnemers aan mijn haikucursussen verzocht ik altijd na een rondje kennismaking de tafels opzij te schuiven en met mij op de grond te gaan zitten, om zo de sessie van Bashō en zijn leerlingen enigszins te imiteren. Een echte lotuszit hoefde niet; die is te moeizaam voor onervaren (westerse) botten. Een kleermakerszit was voldoende. Dit werd gedaan. Wat lacherig door de heren, waarbij een van hen, die een deftig vest droeg, dat geheel en al losknoopte. Ontspannenheid troef!
Nu was het geval dat het in dat PTT-kasteeltje in Wassenaar heel erg formeel placht toe te gaan. Een soort ‘lakei’, een man met een overduidelijk Haags accent in een stemmig dienstkostuum, had ons het cursuszaaltje binnenloods en uiterst kakkineus aangekondigd dat hij de thee ging opdienen. Deze persoon kwam nu binnen met het blad met de thee, zag ons op de grond zitten en liet zich spontaan ontvallen: “Zo, gaan we neuken?”
Want... als mannen en vrouwen zich niet aan tafel bevinden, maar ontspannen samen op de grond, ja, dan gaan ze vroeg of laat rampetampen... dat begrijpt een kind! De man schrok overigens wel van zijn eigen foute ontboezeming en verdween haastig. Maar de deelnemers had het n-woord van de lakei merkbaar onrustig gemaakt. Sommigen maakten zowaar aanstalten om op te staan en de vestdrager knoopte resoluut zijn vest weer dicht. Want ja, morgen waren ze weer directeur en als dan op kantoor als een lopend vuurtje zou rondgaan dat ze...
Maar ik stelde ze gerust. Dat wat die thee-meneer zegt, dat heeft ook zijn mooie kanten, vast en zeker, maar daarvoor zijn we hier niet. We gaan iets doen wat óók heel mooi is: we gaan haiku’s maken. Het systeem van de haiku is 5-7-5. De eerste regel telt vijf lettergrepen, de tweede zeven en de derde weer vijf. Dat is de klassieke, strenge vorm. Altijd zeg ik dat het wat mij betreft niet per se in die strenge vorm hoeft. Als er hier en daar een lettergreep te veel of te weinig is, kan mij dat niet zoveel schelen, als de inhoud maar de moeite waard is. Dat zei ik ook nu.¹
Als onderwerp had ik opgegeven: water. Nederland, het land dat doodgemoedereerd onder de zeespiegel ligt... Nederland Waterland! Iedereen in Nederland heeft wel wat met water, dus het moest wel raar lopen wilde daarover niet iets creatiefs op papier worden gezet.
En zo geschiedde. Zo was er een vrouw, die ik qua leeftijd achter in de dertig schatte, die opschreef:
Een druppel is het heelal
Ik zei haar dat dit weliswaar geen haiku was, maar wel een heel erg zen-boeddhistisch beeld (en met het zenboeddhisme is de haiku zeer verbonden). Zoiets als: applaudisseren met één hand. Hierop barstte zij in snikken uit. Want ze bleek... zwanger. Ja, dan is een druppel het heelal! Van een vent, helaas, met wie ze verder niets wilde. Maar ze wilde het kind houden. Ze had altijd een kinderwens gehad en ze werd er niet jonger op. Anderzijds was ze zojuist tot directeur benoemd. En het was niet de bedoeling – de PTT was daar blijkbaar heel duidelijk over geweest – dat ze met een bollend buikje haar eerste directeurschap aanving. Daar zat ik dan, een estheet die plotseling therapeut diende te zijn. Ik had niet direct een antwoord paraat. Gelukkig wist de groep het op te vangen.
Ik heb de haikucursus sindsdien nog vele malen gegeven. Dat ging gelukkig allemaal goed. Niettemin ben ik tóch nog een keer de mist in gegaan! Dat was toen ik het verzoek kreeg om mijn haikucursus te komen geven aan PvdA-prominenten, op het landelijk bureau van die partij aan de Herengracht in Amsterdam. Ik heb die uitnodiging slechts na grote aarzeling aangenomen. Ik had tenslotte de PvdA niet voor niets al een poos verlaten. Die apathische omhelzing van de Reaganomics! Het aftakelingsproces van mijn voormalige club, de 'socialisten-light' alias de sociaaldemocraten, richting een soort VVD voor de lagere klassen; het was niet om aan te zien. Niet voor niets had ik de Stadspartij gesticht.
Niettemin, in een moment van compassie met de PvdA in haar meedogenloze neergang, ging ik akkoord. De PvdA kon inderdaad wat training in spiritualiteit best gebruiken, zo dacht ik toen (en zo denk ik nog steeds). Maar meteen tijdens mijn inleiding ging het al faliekant mis. De haiku ‘rode peper / geef hem vleugels / libel!’ leverde namelijk een onbedaarlijke lachlust bij het gezelschap op.
Peper rood? Bram (Peper), de huwelijkspartner van de VVD-fundamentaliste Neelie Kroes, rood? Kostelijk! Hoe verzin je het!?
¹ Ook de grote haiku-meester Matsuo Bashō zelf wijkt trouwens nu en dan van dit starre schema 5-7-5 af, bv. in: 'De smalle weg naar het diepe noorden' (The Narrow Road to the Deep North and Other Travel Sketches, Penguin Classics, vert. 1983).