zaterdag 10 april 2021

webZine over stad, cultuur
en wereld

Meneer en mevrouw in Willemstad aan de wandel. Ill. Rotterdam in slavernij

Rotterdam in slavernij: een tragisch verhaal waaraan we ons niet kunnen onttrekken

25 december 2020 (Han van der Horst)

Met Rotterdam in Slavernij gooit Alex van Stipriaan Luïcius, hoogleraar Caribische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit, een stevige steen in een toch al roerige vijver. Er heerst in de Maasstad al langer ongemak over de stedelijke geschiedenis. Was dat niet teveel een heldenlied van kranige ondernemers terwijl hun rol bij onderdrukking, uitbuiting, kolonialisme en slavernij onderbelicht bleef. Een groeiend deel van de Rotterdammers heeft voorouders die daarvan het slachtoffer zijn geweest.

Peggy Wijntuin

Een aantal jaren terug zorgde PvdA-raadslid Peggy Wijntuin ervoor dat B en W opdracht gaven tot een diepgaand onderzoek naar de rol van Rotterdam en Rotterdammers in het kolonialisme en de slavenhandel. Daaruit kwamen drie boeken voort: twee artikelenbundels en een monografie, Rotterdam in Slavernij. Bij het verschijnen al werd meteen duidelijk dat er smetten kleefden op sommige Rotterdamse helden. Zo bleek dat Johan van der Veeken, de vleesgeworden Rotterdamse koopman met handelcontacten over heel de wereld minstens één slavenreis heeft gefinancierd. Dat was al in de zestiende eeuw.

Hugo de Groot over slavernij

En hoe dacht Hugo de Groot, een der vaders van het internationaal recht vanwege zijn beroemde studies ¨Over de vrije Zee´ en ´Over het recht van Oorlog en Vrede´ eigenlijk over slavernij. Tot nog toe ging men er in Rotterdam vanuit dat deze grote geleerde er weinig mee op had. Dat viel nogal tegen. Hij greep terug op de rechtspraktijk uit de Romeinse oudheid toen men er vanuit ging dat de mens weliswaar van nature vrij was maar toch door allerlei omstandigheden in slavernij kon raken. Dat was dan jammer voor de betrokkene en alle nazaten want die status erfde over van de ene generatie op de andere. Hugo de Groot zetelt in steen voor het stadhuis en kijkt wijs naar het Holbeinhuis aan de overkant. Het gelaat van Van der Veeken is op de voorgevel zelf uitgehouwen. Het vormde de inspiratie tot de Van der Veeken Penning die sinds begin jaren negentig aan verdienstelijke ondernemers wordt uitgereikt. Kan dat nog wel? Moet men nu een onbesmette Rotterdammer zoeken of die hele penning maar vergeten?

Origineel onderzoeker

Dit soort onthullingen stonden centraal in de publiciteit rond Rotterdam in Slavernij. Toch is dat niet de kracht van dit boek. De kracht is de vernieuwende manier waarmee Alex van Stipriaan bekende literatuur en al geraadpleegde bronnen heeft gebruikt. Er wordt wel eens gezegd dat de Nederlandse slavernijgeschiedenis altijd is veronachtzaamd maar dat is een misvatting. Er wordt al sinds het begin van de vorige eeuw regelmatig door vakhistorici over gepubliceerd. Die behandelden de materie echter vooral als een onderdeel van de economische geschiedenis: het gaat over hoeveelheden en prijzen. De onderzoekers beperkten zich bovendien vrijwel altijd tot de handel en de bijbehorende rederijen zelf. Of ze bestudeerden de exploitatie van de plantages in het Caribisch gebied. Zo kon de overtuiging postvatten dat slavenhandel geen bijzonder winstgevende activiteit was geweest en dat de plantages in het Caribisch gebied het “moederland” helemaal niet zoveel schatten hadden opgebracht. Dat viel allemaal dik tegen. Alles bij elkaar zouden we te maken hebben met een tamelijk marginale sector. Heel betreurenswaardig allemaal en zeker een zwarte bladzijde, maar niet iets waar je de reputatie van een heel tijdperk aan kunt ophangen. Aan die opvatting maakt Alex van Stipriaan radicaal een einde.

Hij had de opdracht Rotterdam centraal te stellen maar de impact van de studie gaat de stad en zijn omgeving te boven. Alex van Stipriaan bewijst glashelder dat grote delen van het bedrijfsleven iets met slavernij van doen hadden en dat een fors deel van de werkgelegenheid in de stad zonder dit stelsel nooit had kunnen bestaan. Dat is een spijkerharde maar onontkoombare conclusie.

Schijn bedriegt

Als je inzoomt op de slavenhandel alléén lijkt het allemaal nogal mee te vallen. Rotterdamse investeerders waren helemaal niet zo geïnteresseerd in de West-Indische Compagnie. Daarom werd er samen met Delft en Dordrecht een Kamer van de Maze gevormd die in het hele bedrijf maar een kleine rol speelde. Later raakten de investeerders uit de twee andere steden gemarginaliseerd zodat die Kamer toch een Rotterdams karakter kreeg, maar toen was de West-Indische Compagnie al een kwijnend bedrijf dat na een faillissement in 1674 op beperktere schaal een doorstart maakte. In de achttiende eeuw concentreerde de slavenhandel zich bij de rederij Van Coopstad en Rochussen met een bijrol voor Wed. A. Hamilton & Meyers. Daarmee lijken bij oppervlakkige beschouwing de zondenbokken wel gevonden. Niets is minder waar.

Hoge investeringen

Een van de redenen waarom de pure slavenhandel op de langere termijn niet zo winstgevend was, lag in het feit dat hoge voorinvesteringen nodig waren. Je moest een schip uitreden, volgeladen met handelsgoederen van allerlei slag omdat die op de kust van West-Afrika geruild moesten worden voor slaven. Denk niet dat je met spiegeltjes en kraaltjes ver kwam. Daar bevonden zich achter de Nederlandse forten goed georganiseerde staten met gewiekste onderhandelaars. Veel ambachtelijke bedrijven en tussenhandelaren hadden een goede klant aan slavenschepen. Daarnaast moesten de schepen grote voedselvoorraden meenemen om de levende lading tijdens de overtocht te kunnen voeden. De kosten daarvoor waren zo hoog dat Van Coopstad en Rochussen per schip medefinanciers zochten en ook vonden.

Sterfte bij overtocht: 15 tot 20%

Op de kust van West-Afrika was men vaak maanden bezig om voldoende slaven bij elkaar te scharrelen voor een commercieel verantwoorde overtocht. Dat waren er globaal gezegd 350 tot vierhonderd. Het duurde een kleine twee tot drie maanden voor een slavenschip zijn bestemming had bereikt, vrijwel altijd Suriname of Curaçao. Alle bemanningsleden kregen naar rato van hun rang aan boord een premie per overlevende slaaf. Toch hield men rekening met een sterftepercentage van vijftien tot twintig procent. Dat gold overigens ook voor de bemanning. De slaven kwamen verzwakt aan en werden eerst bijgevoed en opgekalefaterd om ze toonbaar te maken voor de klanten. De meeste slaven kwamen op plantages terecht waar zij zwaar lichamelijk werk te doen kregen.

In het Caribisch gebied was altijd een groot aanbod van tropische producten maar een gebrek aan kapitaal. Het was mogelijk om slaven rechtstreeks te betalen in suiker, tabak, koffie of welk gezocht product dan ook, maar er bestonden ook allerlei leningen met de oogst als onderpand en op veel plantages rustten hypotheken. Nota bene: dus ook op de slaven die er werkten. Van Stipiraan legt haarfijn uit hoe dat allemaal werkte en hoe Rotterdamse kassiers en investeerders hier in groten getale bij betrokken waren. Dat laat zich in de kasboeken en de bedrijfsarchieven keurig nalezen. Het staat er allemaal in. Men kan er ook verrassend veel informatie in aantreffen over de slaven. Daarover is meer bekend dan over de dagloners en de sloebers uit Rotterdam zelf. Die slaven waren immers eigendom. Zij stonden op de balans. Zo kan Van Stipriaan vaststellen dat slaven op een slecht renderende plantage meteen de gevolgen moesten dragen van door Rotterdamse financiers gesanctioneerde bezuinigingen. Als hij kan geeft Van Stipriaan reliëf aan wat de zakelijke gegevens onthullen, door reisbeschrijvingen en brieven na te vlooien. Dan stuit hij op een waarnemer die ziet hoe de slaven op de verliesgevende plantage Rotterdam nauwelijks iets hebben om “hun schamelheid te bedekken”.

Hele bedrijfstakken afhankelijk

Suriname exporteerde grondstoffen. In Rotterdam en de rest van Nederland waren hele bedrijfstakken daarvan afhankelijk: de suikerraffinaderijen en de tabakskerverijen voorop. Hier wortelt bijvoorbeeld Van Nelle. 

Zó bronnen lezen, dan dit soort combinaties maken, dat is vakwerk van grote klasse. Daarmee zijn we er nog niet. Van Stipriaan behoort niet tot het genre historici dat denkt aan papieren en archieven genoeg te hebben zonder dat zij de plekken in ogenschouw nemen waar hun verhaal zich heeft afgespeeld. Hij kent Suriname als zijn broekzak. Hij luistert al decennia naar de verhalen van de mensen daar. Hij weet veel over de tradities en het uit Afrika stammende Winti-geloof. Op die manier weet hij invoelbaar te maken hoe het was om op een slavenplantage te leven, althans voor zover dat mogelijk is. Ook hierbij helpt het intelligent bestuderen van de bronnen. Daaruit valt af te leiden dat de slaven tegen alle verdrukking in hun eigen cultuur en talen ontwikkelden, er een eigen leven op na hielden dat zich grotendeels aan de blik van hun onderdrukkers onttrok, ondanks hun scherpe controle. Elke plantage had – en heeft – behalve een officiële naam in het Nederlands en ook een in Sranan Tongo – vaak naar de eerste eigenaar. Die vermeldt Stipriaan consequent in cursief.

 Marrons

Boni, charismatische leider  

Van Stipriaan laat daarbij zien dat er wel degelijk grenzen waren aan wat een plantagebezitter of administreur kon vergen. Wie te ver ging, kreeg te maken met ontsnappingen. De kolonie Suriname moest altijd troepen inzetten om weggelopen slaven terug te halen. Er gingen er zoveel vandoor dat ze in de jungle hele gemeenschappen konden vormen die tot op de huidige dag bestaan. De vakterm daarvoor is marronage. Vicepresident Ronnie Brunswijk – in Rotterdam wel bekend, is al decennia lang hun politieke vertegenwoordiger. In de achttiende eeuw vonden verscheidene oorlogen plaats tussen koloniale troepen en zulke gemeenschappen, waaruit soms charismatische leiders voorkwamen zoals Boni. De Surinaamse marrons lieten zich er nooit onder krijgen. De koloniale regering moest hun autonomie erkennen. In de vredesverdragen kwam altijd de clausule voor dat ontsnapte slaven aan hun eigenaren moesten worden teruggegeven. Dat deden de marrons over het algemeen. Wie zelf weigert in slavernij te leven, hoeft nu eenmaal niet te vinden dat daarom anderen automatisch recht op vrijheid hebben.

Het grote wegkijken

Wat wist men in Rotterdam zelf van de toestanden overzee? Van Stipriaan toont aan dat in ieder geval een fors deel van de elite vrij goed van de hoed en de rand wist al was het maar omdat zij de administraties van slavenschepen en plantages onder ogen kregen. Ook moet er in de kroegen door zeelieden veel verteld zijn over wat zij aan de overkant van de Atlantische Oceaan hadden gezien. Er was tegelijkertijd sprake van een groot wegkijken, een beetje zoals wij dat doen met toestanden in de textielfabrieken van Bangladesh of op de cacaoplantages in West-Afrika, om maar eens twee voorbeelden te nomen. Toch heeft Van Stipriaan Rotterdammers gevonden die al vroeg bezwaar maakten tegen de slavernij als een onmenselijk stelsel en daarom naar afschaffing streefden.

Compensatie voor de 'eigenaars'

Die afschaffing kwam pas in 1863. Er zijn nog Rotterdammers geweest die daarvan profiteerden. Zij namen deel in plantages terwijl ze al wisten dat de slavernij binnen afzienbare tijd buiten de wet zou worden gesteld. Ze aasden op de compensatie die niet de slaven maar hun voormalige eigenaars ontvingen. Met gemiddeld een dikke driehonderd gulden per persoon kon dat aardig oplopen.

Van Stipriaan is een betrokken historicus. Hij is emotioneel geraakt door het onderwerp van zijn studie en hij probeert dat niet te verbergen. Niet door te streven naar een neutrale toon en evenmin door ironie. Hoe hij erin staat wordt misschien nog het duidelijkst door één enkele vergelijking. Zijn Leidse collega Piet Emmer schrijft in zijn overzicht van de Nederlandse slavenhandel dat een slaaf aan boord ongeveer evenveel ruimte had als een passagier in de toeristenklasse van een modern vliegtuig. Van Stipriaan heeft het over een doodkist. Dat zegt genoeg.

Bewondering en kritiek

Overal in het boek dringt zijn bewondering door voor de geestkracht die de slaven ondanks alles van generatie op generatie bewaarden. Dat gaat nooit ten koste van het evenwicht. Van Stipriaan houdt niet voor ons verborgen dat de marronleider Boni bepaald psychopatische trekken had en dat vaak genoeg de slaven “hun” plantage tegen overvallers verdedigden. Om dit alles te onderstrepen gebruikt hij allerlei neologismes die uit het Amerikaanse racisme-idioom naar Nederland zijn overgewaaid zoals “wit” in plaats van blank en “slaafgemaakte” voor slaaf. Dat is jammer. De werkelijkheid komt tot uiting in het totale betoog en niet in losse woorden. Wit is een anglicisme en slaafgemaakte een ongelukkige vertaling van het Engelse enslaved. Het verhaal is zo al heftig genoeg. Daarvoor hoef je niet aan de Nederlandse taal te knoeien.

Geen gesloten boek

De conclusie dringt zich op: Rotterdam in Slavernij kun je als stedelijke gemeenschap en als individu niet zomaar op de plank terug zetten. Wie het las, beschikt over nieuwe kennis waar je wat mee moet doen. Wat precies, moeten we met elkaar bespreken. Van Stipriaan heeft een belangrijk boek geschreven dat we nodig zullen hebben bij het uitbouwen van een multiculturele, inclusieve maatschappij.

Let op: Rotterdam in Slavernij is geen aanklacht. Hier is geen officier van justitie aan het woord maar een betrokken historicus. Zijn boek laat zien hoe het kwam dat Rotterdam zo lang met slavernij kon leven en wat dit voor alle betrokkenen in de praktijk betekende.

Het lezen is geen feest. Het is wel een bijzondere ervaring. Het is een tragisch verhaal waaraan wij ons niet kunnen ontrekken.

Alex van Stipriaan Rotterdam in slavernij Uitgever Boom 34,90

Zie ook:

Deel dit bericht met je vrienden!