Voor kerst naar huis (1)
De zeurderige warmte van een cv die continu aanstaat beheerste het vertrek. Heesters met grote dichtbebladerde takken wuifden voor het raam. Hun schaduwen tekenden zich grillig af op de linoleumvloer. Het was zo stil dat hij het zoemen van de elektrische klok vlak boven de deur duidelijk kon horen.
Waar was hij?
Thuis bij zijn ouders tegen elven de trap opgegaan. De langdurige treinreis naar huis, met tweemaal overstappen en een zware koffer toe, had hem afgemat. Vermoeid was hij tegenwoordig trouwens wel erg gauw. Waarvan bleef onduidelijk. Aan zijn studie deed hij immers niet veel en wat Marianne betreft, zijn ‘verloofde’; zijn verhouding tot haar was ‘meer dan probleemloos’.
Hij mocht bij haar slapen, zo vaak hij zin had, eten ook, en… bijna schaamteloos over haar inkomen beschikken. Ze had een goed betaalde baan als secretaresse op een psychologisch adviesbureau voor beroepskeuze. Nee, hij had niet te klagen.
De tijd was min of meer blijven stilstaan daar in dat slaapkamertje thuis bij zijn ouders. Menig voorwerp herinnerde er nog aan de stille wat verlegen gymnasiumjongen die hij eens geweest was. De boeken op het helblond gebeitste grenenhouten rek, een oud verjaardagsgeschenk; de felgekleurde tekeningen aan de wand, producten van de tekenklas van vroeger.
Karel Moresnet, klas II b, Karel Moresnet, klas IV b, Karel Moresnet, klas V alfa – het was er nog precies als zes jaar geleden. Nog even had hij uit het raam gehangen. Nazomer. De wingerd nog volop in blad.
Plotseling kwam het bij hem op hoe hij vroeger, als kind, eikels en kastanjes in de grond had gepoot – en wat was daarvan geworden? Zeker na verloop van tijd schoten er schamele miniatuurboompjes omhoog, maar onverbiddelijk had de herfst ze doodgeschoffeld, ieder jaar opnieuw. En was de herfst niet de boosdoener, dan de winter.
Met een ruk had hij het gordijn gesloten. Sentimentaliteit. Aan vroeger denken terwijl hij toch Marianne in zijn armen sluiten kon naar believen! Haar naaktheid. Was ze maar hier! Het bedlampje aangeknipt. Vanuit bed nog enige tijd gestaard naar de vele stukgelezen jongensboeken. De Schat in het Zilvermeer. Winnetou´s dood. Ik zal ze toch eens moeten wegdoen, het Rode Kruis kan ze vast nog goed gebruiken. Alleen de Sprookjes van Andersen… toen moest hij zijn ingeslapen.
En nu lag hij hier en het was zijn kamer niet noch zijn bed!
Waar ben ik?
Door de hoge waaiende heesters heen zag hij de onderste verdieping van een oud bakstenen gebouw met veel te geel gesausde raamkozijnen. Kabouterachtige figuren in blauwwit gestreepte pyjama´s lagen daar net als hijzelf voor zich uit te staren in bedden even smetteloos wit als het zijne.
Wat deed hij in een ziekenhuis?
Ik ben natuurlijk niet echt wakker, dacht hij. Ik droom dat ik wakker ben.
Dat komt voor. Gewoon uitliggen. Niets om me ongerust over te maken.
Nu ging de deur open en een vrouw in verpleegstersuniform kwam de kamer in. Nogal fors van postuur. Heel verwonderde ogen had ze, die eigenlijk niet pasten bij haar uiterlijk, heel lichtblauw, zo knikkerrond als die in een goedkope celluloidpop. Sluik haar van onbestemde kleur dat ze zorgvuldig weggestopt hield onder haar stijfheldere verpleegsterskap.
,,Goede morgen,’’ sprak ze monter: ,,Ik ben zuster Haftinga. Dat heeft geduurd! We dachten die wordt nooit meer wakker. Maar u bent nog jong en vast sterk genoeg. Met Gods hulp komen we er wel weer bovenop, nietwaar, mijnheer Moresnet!’’
Karel Moresnet wilde zoiets als ,,Ja zuster’’ mompelen, uit beleefdheid dan, want het bestaan van God was hem een duistere zaak, maar… hij kon zijn tong niet bewegen. Er kwam geen geluid uit zijn keel.
,,Met Gods hulp, nietwaar?’’ herhaalde zuster Haftinga. Maar hij kon geen woord uitbrengen, kon geen spier van zijn lichaam bewegen, bemerkte hij nu.
,,Als u niet spreken kunt,’’ zei de zuster, ditmaal zonder een zweem van de gemaakte vrolijkheid verpleegsters eigen: ,,Probeert u dan eens met uw hoofd ja te knikken?’’
Hij kon het niet.
,,Kunt u uw arm bewegen, mijnheer Moresnet?’’
Maar de anders zo getrouwe mechanieken van armen en benen weigerden. Handen en voeten schenen wel van leem. Ik zou me nu toch ernstig zorgen moeten maken, dacht hij, dit is ernstig. Nooit meer lopen. Geen geluid uit mijn keel.
Maar het was net alsof het hem niet aanging. Alsof zijn lichaam het lichaam van een volstrekte vreemde was, dat daar in bed lag, blootgesteld aan de professionele blik van zuster Haftinga.
(Wordt vervolgd)