Goed gesprek
Net als vele
stadgenoten zit ik te genieten op mijn vakantieplekje. Dit keer midden in een
natuurgebied in zonnig Zeeland. Ik ben omgeven door in de wei huppelende
paarden, pauwen met jonkies, mijn kat ‘Lucky’, kippen, goudvissen en ontelbare
vogels. Met eindeloos groen om je heen in een woud van bomen. Wat wil een mens
nog meer? Eindelijk rust, rust en nog eens rust.
Ik voelde mij
zelfs al een beetje in het paradijs, nu ik mijn drukke bloedhete stad was
ontvlucht. Slechts na enkele dagen al kreeg ik dit gelukzalig gevoel. Zodat ik
scherp ging luisteren naar wat ‘Moeder Natuur’ allemaal te vertellen had.
Wat mij werkelijk
fascineerde waren de geluiden die uit de tientallen grote coniferen rondom mij
kwamen. Deze donkergroene bomen van wel 15 tot 20 meter hoog produceerden het
geluid van hele orkesten. Zangvogels die het hoogste lied floten met daar
tussendoor een ‘zee’ van communicerende hout- en tortelduiven. Haast
onzichtbaar in de coniferen tetterden zij onafgebroken van ’s ochtends vroeg
tot zonsondergang naar elkaar. Hoe vredig toch!
Onbewust maakte
Ik een soort van studie van hun drukke gesprekken. Door constant te luisteren.
Had ik dit maar nooit gedaan…
In hun
duiventaal, diep uit hun strot, hoorde ik duidelijk korte menselijke zinnen.
Zoals: ,,Wèlijk hóóf stùùk?’’ Dat ene zinnetje kwam van een duif die ik tot
voorroeper doopte. ,,Wèlijk hóóf stùùk?’’, herhaalde hij wel tien keer achter
elkaar. Dan volgde het hele duivenorkest uit al die bomen met een eindeloos
,,Wèlijk hóóf stùùk?!’’ Of via de voorroeper weer een andere zin zoals:,,Gùùs is tùùs!, Gùùs is tùùs!’’ En dan weer
met zijn allen uit talrijke kelen: ,,Gùùs is tuus! Gùùs is tùùs!’’ Herhalend in
honderdvoud en dan nog eens tien keer.
,,Ja, dat weet ik
nou wel,’’ zo begon ik naar duivenland terug te praten. ,,Hebben jullie geen
andere mededelingen dan ‘Gùùs is tùùs, Gùùs is tùùs!’’ Ik werd er knettergek
van.
En zo begon ik
ook nog sterk te twijfelen aan mijn eigen verstandelijke vermogens. Maar
gelukkig bevestigde mijn goede vriendin dat ik het allemaal juist had gehoord.
Alleen vanaf dat moment had ik voor geen cent rust meer. ,,Wèlijk hóóf stùùk?’’
herhaalde ik bijvoorbeeld talloze malen bij het lezen van mijn krant. Wederom
met de vele echo’s van het duivenorkest.
Mij is bekend dat er mensen zijn, zoals prinses Irene, die met bomen praten. Door sommigen
worden ze voor gek verklaard, maar ik heb er nu alle begrip voor. Zo stond ik
gisteren ook tegen een boom te lullen die er behoorlijk ziekelijk uit zag. Er
zat een diep gat in zijn bast. ,,Dat ziet er niet zo best uit, hè,’’ sprak ik
bezorgd tot mijn boom.
Toen volgde, na de voorroeper, uit tientallen duivenkelen: ,,Bùùsje kom só, bùùsje kom só!’’