AD 2080: Rotterdam lag er grauw en stil bij (+handleiding storytelling met AI)
Een week of wat geleden publiceerde een interdisciplinair samengesteld team van klimaatwetenschappers een schokkende prognose. De kans is groot dat vanaf 2060 de al afzwakkende warme golfstoom instort. Daardoor zullen de gemiddelde temperaturen in Nederland met 7 graden dalen https://nos.nl/nieuwsuur/collectie/13871/artikel/2579953-gevreesd-kantelpunt-in-de-golfstroom-mogelijk-al-halverwege-deze-eeuw-bereikt. Dat betekent eindeloze steenkoude winters en korte zomers. Daar is de boel niet op ingericht en er worden geen voorbereidingen getroffen voor een koude toekomst. De politici negeren deze bedreiging massaal.
Ik vroeg me af wat dit zou betekenen voor mijn kleinzoon Nikolas, die in april drie werd. Wat doet iemand zoals ik dan? Die zet ChatGTP aan het werk. Hieronder het resultaat.
Han van der Horst
2080Het was hartje winter in het jaar 2080. De kou had zich in de stad vastgezet als een onuitroeibare ziekte, een plaag die alles aantastte en nergens wijken wilde. Rotterdam, ooit trots op zijn futuristische skyline, zijn moderne architectuur en zijn reputatie als stad diedurfde te dromen, lag er nu grauw en stil bij, verstikt door een laag vuile sneeuw die al weken niet meer was opgeruimd. Auto’s, fietsenrekken, bushaltes — alles lag begraven onder een mengsel van ijs en grauw slijk. De straten waren glibberig van het ijs, de havens en singels lagen dicht, alsof ze nooit meer zouden ontdooien. De mensen die zich toch buiten waagden, leken geen levende wezens meer maar schaduwen, bewegende contouren in een witgrijze woestenij. Niemand sprak luid; de kou vrat de stem weg en zette stilte over de stad. Alleen het gekraak van schoenen op sneeuw en het huilen van de wind vulden de lucht. De gebouwen, ontworpen met het oog op hittegolven, opwarmende zomers en een stijgende zeespiegel, waren nauwelijks bestand tegen deze nieuwe realiteit van maandenlange vorst. Glasgevels bevroren van binnenuit, ramen waren bedekt met ijsbloemen, alsof de stad zelf in een kristal was gevangen. Zonnepanelen leverden niets op, windmolens sloegen traag of stonden stil, en warmtepompen werkten op halve kracht. Overal klonk het gekraak van kapotte leidingen, het knallen van gesprongen buizen. Wie tot de middenklasse behoorde, gaf minimaal de helft van zijn salaris n uit aan energie. Burgers met een laag inkomen hadden van de overheid een plastic kaart gekregen waarmee ze toegang hadden tot de zogenaamde heat zones: voormalige bioscopen, sporthallen, buurthuizen, plekken waar mensen overdag warmte konden vinden en waar je acht uur mocht blijven, zestien uur als je zwanger was of een kind onder de twee bij je had. Maar Nikolas en Fatima behoorden tot die onhandige middencategorie: niet rijk genoeg om zich warmte te kunnen veroorloven, niet arm genoeg voor hulp. Zij waren “zelfredzaam verklaard”. Hun appartement was niet meer dan een koude schuilplaats, waar waterleidingen bevroren waren en de ramen kierden. Overleven betekende voortdurend improviseren: slapen in alle kleren die ze hadden, soep koken op een elektrisch plaatje dat telkens uitviel, en ’s avonds dicht tegen elkaar kruipen om de nacht door te komen. Op deze dag stonden ze in de rij bij het Turkse consulaat, Westblaak 2. Nikolas was 58, een man die de jaren in zijn gezicht droeg: diepe groeven van zorgen, een mond die vaker zweeg dan sprak, ogen die ooit heldergrijs waren geweest maar nu vermoeid en dof keken. Zijn vrouw Fatima, nog altijd met de trotse blik van haar jeugd, was gehuld in lagen kleren die nauwelijks bescherming boden. Drie rokken, een oud vest, twee hoofddoeken en een jas die ooit lichtgroen was maar nu vaalgrijs door slijtage. Haar wangen waren rood van de kou, haar lippen gebarsten. Toch hield ze haar hoofd recht. De wind zou háár niet klein krijgen. De menigte om hen heen was een bont geheel van geïmproviseerde bescherming. Mensen hadden zich gewikkeld in dekens, slaapzakken hingen als mantels om schouders, plastic vuilniszakken dienden als beenbeschermers. Een man droeg een gordijn om zijn lijf, vastgeknoopt met touw. Een oude vrouw hield een stuk karton voor haar gezicht, vastgebonden met elastiek, als een primitief windscherm. Kinderen werden diep in jassen gedrukt, tegen de borst van hun ouders, hun kleine ogen waterig en rood van de snijdende wind. Er hing een geur van natte wol, rook van straatvuren die verderop smeulden, en een muffe, menselijke damp die door de kou niet verdween maar bevroren leek te blijven hangen. De wind gierde door de straat als een mes dat telkens opnieuw sneed. Aan de gevels hingen ijspegels van een halve meter lang, zo scherp dat ze dreigden te breken en op de menigte neer te storten. Uit de adem van de mensen steeg een wolk van witte damp op, traag, alsof het consulaat werd belegerd door spoken. Iedereen huiverde, trok de schouders op, stampte met de voeten, maar niets hielp. De kou drong overal doorheen, tot in de botten, en zette zich vast in het merg. Nikolas wreef zijn handen tegen elkaar, blies ertegen, trok zijn versleten sjaal hoger over zijn neus. Fatima trok zijn arm stevig tegen zich aan, alsof ze hemwilde beschermen. Haar lippen trilden. ‘Vertel nog eens,’ zei ze hees, haar stem nauwelijks hoorbaar boven de wind. ‘Van onze huwelijksreis naar Brazilië. Misschien word ik er warm van.’ Nikolas glimlachte flauwtjes, bijna onzichtbaar. Zijn gedachten, vertroebeld door de kou, grepen zich vast aan die herinnering als een drenkeling aan een plank. Hij sloot even zijn ogen, zag een andere wereld voor zich. ‘Het was in Rio, weet je nog?’ begon hij langzaam. ‘Dertig jaar geleden. We kwamen aan in dat kleine hotelletje in Copacabana, met die felgekleurde tegels in de hal. Alles rook naar zee, naar kokos, naar iets exotisch dat we nooit eerder hadden ervaren. De lucht was zwaar en vochtig, alsof je een warme deken over je heen kreeg. Jij vond het plakkerig, vreselijk, maar na twee dagen zei je dat je niet meer terug wilde.’ Fatima glimlachte door haar blauwe lippen heen. ‘De mango’s bij het ontbijt… zo zoet, alsof er honing over gegoten was. En de jongen met de gitaar onder ons balkon. Elke avond zong hij, en ik dacht dat hij speciaal voor mij speelde.’ Nikolas lachte zacht, ondanks de kou die in zijn longen sneed. ‘Hij had een stem als honing. Jij zei dat hij verliefd op je was. En ik… ik werd jaloers.’ Fatima kneep hem speels in de arm, alsof ze weer jong waren. ‘Je was aandoenlijk toen je dat toegaf.’ De kou leek even minder scherp terwijl ze samen herinneringen uitwisselden. Nikolas vertelde hoe ze door de straten van Salvador dwaalden, trommels die hun borstkas deden dreunen, dansers die hun lichamen in een trance bewogen. Hij beschreef hoe ze door kleine straatjes liepen waar vrouwen gefrituurde vis verkochten en kinderen achter een bal aan renden. Fatima vulde aan: de busrit langs de kust, het eindeloze blauw van de oceaan, het zout dat op hun lippen achterbleef. Ze herinnerde zich hoe ze in een gammele boot stapten naar een eiland waar de bomen vol hingen met papaja’s, bananen en kokosnoten, en waar vissers hun vangst schoonmaakten aan de waterkant. ‘We zwommen in dat warme water,’ fluisterde Fatima, haar ogen vochtig, ‘zo helder dat ik je onder water zag glimlachen. Ik dacht toen dat de wereld nooit kouder kon worden.’ Hun stemmen weefden een cocon van warmte om hen heen, een schuilplaats in de vrieslucht. Maar de werkelijkheid was onverbiddelijk. Het duurde uren voordat ze eindelijk het loket bereikten. De ambtenaar zat in een warme kamer, zijn uniform gladgestreken, een beker koffie naast zich. Hij keek nauwelijks op van zijn papieren. De ambtenaar lachte kort, hard, bijna spottend. Hij wenkte een bewaker. Zonder hen een blik waardig te keuren duwde deze Nikolas en Fatima weer de straat op, terug de sneeuwjacht in. Ze sjokten weg, gebogen, hun gestalten vervagend in het witte duister. Thuis wachtte dezelfde kou, dezelfde stilte. De verwarmde plekken waren verboden terrein voor mensen als zij, zelfredzaam verklaard.Bij het standbeeld van Pim Fortuyn bleven ze staan. Het brons was bevroren, de sokkel wit uitgeslagen, alsof ook dit monument kapot aan het vriezen was. Ze zakten neer, uitgeput, naast elkaar. Fatima leunde tegen Nikolas aan, hij sloeg zijn arm om haar heen. Een enorme vermoeidheid kwam over hen, als een zachte golf die hen overspoelde. En terwijl de kou van buiten hen verteerde, steeg er van binnenwarmte op — de warmte van herinneringen, van een zon die nog altijd in hen scheen, van mango’s bij het ontbijt en een oceaan die nooit ophield met ruisen. De wolkjes van hun adem vervlochten zich met elkaar en langzaam zakten hun ogen dicht. |
Nawoord.Zelf ook aan de slag? Hieronder de instructie die ik voor het bovenstaand verhaal aan Chatgtp gaf.
¨Het is hartje winter 2080. Door het stilvallen van de golfstroom is de gemiddelde temperatuur in Nederland met zeven graden gedaald. Het vriest dan ook dat het kraakt en vuile sneeuw bedekt de straten van het futuristische Rotterdam. De nieuwe stad is destijds gebouwd met het oog op een opwarming van het klimaat. Er heerst een economische recessie. Behoor je tot de middenklasse, dan ben je de helft van je inkomen kwijt aan energie. Burgers met een inkomen tot 120% van het minimumloon krijgen een plastic card die toegang geeft tot verwarmde plekken in de stad, bijvoorbeeld voormalige bioscopen om zo aan de kou thuis te ontsnappen. Maximale verblijfsduur acht uur, zestien uur voor zwangere vrouwen en moeders met kinderen tot twee jaar. Nikolas is 58
hanvanderhorst@vandaagenmorgen.nl