(13) Over schilder Aad de Haas: Het gaat per poppetje
(Vervolg van 'De Bloemist van Maria,' 12) Eindelijk kwam de cameraploeg opdagen. Onderwijl had Boris 'Boy' Kwakman zijn verhaal hardop gerepeteerd. Opdat hij dat verhaal, zogenaamd spontaan, ‘uit het hoofd’ zou kunnen uitspreken.
Aad de Haas ( Rotterdam 1920 – Terwinselen in Limburg 1972) groeide op in Rotterdam waar hij ook de Academie bezocht. Zijn werk als jong kunstenaar beviel de Bezetter allerminst. Met name het schilderij Dode Clown vanwege de sterke gelijkenis tussen de gevangenen in de concentratiekampen en de door Aad de Haas geschilderde clown.
Hij werd gearresteerd en opgesloten in het Haagse Veer.
Toenmalige Boymans-directeur Hannema, die zo goed was met de Bezetter, dat hij er na de oorlog om werd veroordeeld wegens collaboratie, wist hem vrij te krijgen.
Hierna vluchte Aad de Haas Rotterdam uit naar het vlek Ingber in het Gerendal in de bush bush van Zuid-Limburg, samen met zijn vrouw Nel. Daar wist hij de oorlog omgeschonden door te komen.
In Mei 1946 krijgt De Haas de opdracht de Sint Cunibertiskerk te Wahlwiller te beschilderen. Zijn kruiswegstaties leidden tot felle kritiek.
In 1949 verschijnt het boekje “in Jezus lijden” van pater Mathot, voorzien van illlustraties van de Haas..
Op grond van de linosneden in dat boek beveelt de Congregatie van het Heilig Officie te Rome dat het boek onmiddellijk moet worden teruggetrokken:”De tekeningen zijn werkelijk monsterachtige larven, die aan het licht brengen hoe ook in Nederland met betrekking tot de heilige kunst
tendenzen optreden, die beledigend zijn voor de waardigheid van de religieuze onderwerpen.”
Bisschop Lemmens van Roermond ziet in deze officiële afkeuring door Rome van De Haas' werk aanleiding de directe verwijdering van de Kruisweg uit de Kerk van Wahwiller te eisen.
Op Goede Vrijdag 1949 draagt De Haas eigenhandig de kruiswegstaties de kerk uit.
In 1952 werd Aad de Haas door de Staasmijnen het kasteel Strijthagen nabij het mijndorp Terwinselen, in de schaduw van de Staatsmijn Wilhelmia, als woon- en werkplaats ter beschikking gesteld.
Aad de Haas is verder zijn hele verdere leven een bewogen en maatschappelijke betrokken kunstenaar gebleven.
En…vroeg Kwakman vervolgens aan Chrétien,“Wilt u ook de waarde weten van het schilderij?"
Ja, dat wilde Crétien wel. Daarvoor was hij nu juist naar Rotterdam gekomen.
“Achtduizend euro."
Nu had mijn Maastrichtse vriend blijkbaar moeten uitroepen, want zo gaat het in die KNAP- uitzendingen strijk en zet, liefst met een hand voor de mond : “Oooohhhh… wie had dat gedacht.’
Maar ik zag, dat Chrétien weer ‘innerlijk knarsetandde’ , want hij had een maand daarvoor zijn schilderij laten taxeren op een taxatiebijeenkomst , georganiseerd door de Rotary van Maastricht, waar hij trouw lid van is … en de expert aldaar had hem verteld, dat zijn Aad de Haas tussen de twaalf- en vijftienduizend euro waard was…
Nog erger, mijn vriend had als klap op de vuurpijl ook nog eens een ingezonden mededeling aangetroffen in zijn lijfblad De Gazet van Maastricht, zoals gezegd een kopblad van De Telegraaf, waarin een De Haas – het schilderij Het Laatste Avondmaal – werd aangeboden voor een vraagprijs van vierentwintigduizend euro.
De uitleg van dat grote prijsverschil: het gaat per poppetje. Aldus Kwakman.
Hoe meer figuurtjes op een schilderij, hoe meer pegels. Op ons schilderij Jezus en Maria Magdalena prijkten maar twee figuurtjes. Jezus en Maria Magdalena hand in hand vluchtend in Brandend Rotterdam.
Op de 'Telegraaf- De Haas' zijn dat er liefst dertien. Jezus en al zijn apostelen, Judas met een forse geldbuidel ter hoogte van zijn geslacht, inbegrepen. De laatste is door De Haas geschilderd met duidelijk het woord Wallstreet op de revers van zijn rokkostuum. De andere apostelen en ook Jezus zelf dragen eenvoudige colberts. Mode uit de (crisis)jaren dertig.
Lees volgende zaterdag het veertiende en laatste deel van Bloemist van Maria