Met punten en strepen de wereld rondvaren

17 juli 2017 door de Redactie
Met punten en strepen de wereld rondvaren

(Door Piet van Dijk)

Gastauteur Piet van Dijk woont vlakbij de ingang van de Nieuwe Waterweg in Hoek van Holland. Hij is secretaris van de club van scheepvaart liefhebbers in Rotterdam, World Ship Society Rotterdam. Hem hebben we gevraagd een verhaal te maken over een uitgestorven functie die hij in zijn jonge jaren heeft bekleed.

Je kunt het je haast niet meer voorstellen, maar nog geen generatie terug was contact met een schip op zee vrijwel alleen mogelijk via morsecodes. Dichtbij land en havens had je VHF, de telefonie op korte afstand, zeg maar tot aan de horizon zo ongeveer.


Het beroep van radiotelegrafist ontstond toen wereldwijd een noodfrequentie op de radio (500 kHz) werd ingesteld om schepen in nood in de gelegenheid te stellen hulp in te roepen van andere schepen of hulpverleners aan de wal. Grootste aanleiding daartoe was de ramp met de TITANIC in 1912, waar hulp voor honderden opvarenden te laat kwam.

De telegrafist, ook wel marconist genaamd, naar Marconi, de uitvinder van de draadloze radiotelegrafie, was in principe aan boord om de noodfrequentie te beluisteren en eventueel zelf in een noodsituatie contact te leggen. Hij werd ook wel sparks genoemd, naar de eerste vonkenzenders, of marco. Vandaar dat mijn zoon Marco heet.

Per 1 januari 1999 werd het beroep officieel opgeheven toen het maritieme nood- en veiligheidssysteem GMDSS officieel van kracht werd en via satellietcommunicatie veel sneller en efficiënter hulp verleend kon worden.

Maar verder op zee of de oceaan ging contact maken niet zo gemakkelijk. Sinds de wereldbol omgeven wordt door satellieten is elk schip in principe bereikbaar, dag en nacht. Per telefoon of internet, net wat je wilt.

De navigatie loopt ook via die satellieten met uiterst nauwkeurige posities op elk moment van de dag. Het zonnetje schieten met een sextant rond het middaguur is allang achterhaald. Leren ze het nog op de zeevaartschool?

Toen ik een halve eeuw geleden afgekeurd werd op mijn ogen om mijn droombaan als stuurman te gaan vervullen, stortte mijn wereld in. Wat moest ik nu? De machinekamer was helemaal niets voor mij, al dat gesleutel in de ‘vetput’ lag mij niet.

En telegrafist dan? Dat gepiep van punten en strepen leek mij om helemaal gestoord van te worden. Als jonge jongen was ik eens met een vrachtschip mee geweest en ik was na vijf minuten de radiohut weer uit gevlucht.

Bij de keuring voor militaire dienst (in mijn tijd bestond er nog dienstplicht), kreeg je een morse-test met de letters T, N en I, herinner ik me. In morsetaal: een streep/ een streep en punt/ en twee punten. De een na de ander raakte het spoor snel bijster en verliet de zaal, alleen wilde ik de test zo goed mogelijk doen.

Uiteindelijk kreeg ik er lol in en ik redde het tot het laatst. Ik werd goedgekeurd. Mocht ik in het leger terechtkomen, zou dat de verbindingsdienst geweest kunnen zijn.

Omdat ik wilde varen schreef ik me in bij Radio-Holland aan de Sluisjesdijk (Eekhoutstraat) in Rotterdam. Nog geen 2 km van mijn ouderlijk huis. Radio-Holland, in 2016 vierde het bedrijf haar eeuwfeest, had eigen opleidingsscholen in Rotterdam en in Amsterdam. Het bedrijf bestaat nog steeds en is een grote leverancier van producten die erg veel met de communicatie en navigatie in de scheepvaart te maken heeft.

Op de zeevaartscholen kon je de opleiding tot radiotelegrafist ook volgen, al kwam je na het examen over het algemeen toch bij Radio-Holland terecht.

Het bedrijf leverde niet alleen radiozenders en -ontvangers, radars en nog meer navigatieapparatuur, ze waren tevens werkgever van bijna alle telegrafisten voor de Nederlandse koopvaardijvloot.

Alleen de sleepdienst van Wijsmüller uit IJmuiden en de veerdienst Hoek van Holland naar Harwich en terug hadden eigen telegrafisten in dienst.

De belangrijkste vakken in de opleiding waren natuurlijk ‘seinen en opnemen’, naast radiotechniek. Eindeloos werd geoefend om het juiste ritme en de lengte van de punten en de strepen onder de knie te krijgen.

Een streep is driemaal zo lang als een punt en de tussenruimte tussen de tekens heeft ook de lengte van een punt. De leraar seinen stond met een stok op tafel te slaan om het juiste ritme te houden. Het morsealfabet werd er dus letterlijk ingeslagen.

Om te controleren of je de slag te pakken had moest je een oefening doen, waarbij de seinsleutel aangesloten stond op een printer, die op tape de tekens in inkt vastlegde. Rollen tape gingen erdoor. En de leraar controleerde met een liniaal erbij of alle punten en strepen wel gelijk waren.

Ook het opnemen, het luisteren naar morsetaal was een vak apart. Eerst langzaam en steeds sneller moest je kunnen volgen wat er ‘gezegd’ werd. En als je eenmaal de taal verstond, dan kreeg je op de koptelefoon meerdere zenders door elkaar heen te horen. Allemaal piepjes, waarvan jij dan de juiste eruit moest filteren. In de praktijk was het niet anders.

Dat seinen en opnemen is als een soort moedertaal in m’n hoofd vastgelegd, die sla je er niet meer uit. Alleen de snelheid, door gebrek aan oefening is wat teruggelopen, al kan ik, ook na 45 jaar het gepiep nog steeds volgen. Want de piepjes bestaan nog altijd, bijvoorbeeld van bakens voor de luchtvaart, die nog steeds gebruik maakt van de taal van Samuel Morse.

Cookies

Deze website gebruikt noodzakelijke cookies voor een correcte werking en analytische cookies (geanonimiseerd) om de statistieken van de website bij te houden. Marketing cookies zijn nodig voor laden van externe content, zoals YouTube-video's of widgets van Sociale Media. Zie ons cookiebeleid voor meer informatie, of om je instellingen later aan te passen.