De Rotte
’‘s Ochtends vroeg roeit zij Rotterdam uit, de Rotte
met aan weerszijden (water)fietsers
elk met zijn eigen rietkraag achterop
en hier en daar vissers, broos hengelend
onder de stilte van hun weerspiegeling
naar brasem, voorn, snoek
Zie, hoe zij ons toewuift in het voorbij gaan
Plezierroeister Rotte
vanuit haar spiegelbeeld
waarin nu passeert, onderste boven
een zwaan met hoog opgestoken zeilen
een statig VOC-schip uit de Gouden Eeuw
en ook een hedendaagse bakfietsmoeder
met jonge badeendjes, luidkeels
plastic kwekkend
En ook hun vader, Yupmeneer de Woerd
verdiept in zijn vakblad: de Donald Duck
en ambtenaar Meerkoet richting Coolsingel
en een typisch Rotjeknorse foeteraar
die almaar Fuut zegt: Fuut ! Fuut ! Fuut!
of is ’t Fuck! Fuck! Fuck!
zo ontevreden met de maatschappij!
Zo roeit de rivier de Rotte traag naar de horizon
want zij, de Rotte, is de smoel van onze stad
en wat zou Rotter-
dam zijn
zonder de Rotte?
Niets dan een skyline aan de Maas!