Die cultuurcampus moet overal zijn
Ongetwijfeld in het zicht van de ongekende bezuinigingen die Den Haag aan de gemeentes oplegt, is een streep gehaald door de geplande cultuurcampus aan de Maashaven. Daar wilde men alles wat in Rotterdam met onderwijs in cultuur en humaniora te maken heeft, onderbrengen. Zo zou dan een broedplaats ontstaan van muziek en schone kunsten waar artiesten en publiek op af zouden komen als vliegen op een vaatje stroop. Een iconisch gebouw als blikvanger diende te voorkomen dat de liefhebbers de verkeerde kant op lopen.
'Minicultuurcampus' als plan B
Gaat allemaal niet door. Geen centen voor. De gemeente denkt er nu over een plan B: een minicampus in een of ander gemeentelijk monument op de Putselaan. In plaats van een groot ijsje een klein ijsje.
En dat terwijl nu de gelegenheid wordt geboden de hele zaak principieel te heroverwegen. Is het wel zo´n goed idee om ergens aan het water een soort concentratiepunt voor cultuur aan te wijzen terwijl de rest van de stad verweesd achter blijft. Als het oorspronkelijke plan – op de plek van Van Leeuwen Recycling – toch werduitgevoerd dan zou het zeker een geïsoleerd eiland blijven in de zee van Rotterdam Zuid. Volgens mij moet je cultuur en onderwijs helemaal niet concentreren. Daar kun je beter de hele stad mee dooraderen.
Professor Jansma en meneer Heeres
Ik moet nu denken aan mijn studiejaren op de Universiteit van Amsterdam. Er bestond toen aan de Roetersstraat een concentratie van beta-studies maar voor het overige was mijn alma mater verspreid over heel de stad. Dat gold vooral voor de faculteit der Letteren. Wij waren met geschiedenis gehuisvest op de Herengracht 286, in het voormalig hoofdkantoor van de Deli Maatschappij. Enkele deuren verder zat zaten professor Jansma en meneer Heeres in een oud grachtenpand waar de Economisch Historische bibliotheek was gehuisvest. Iedereen liep in en uit. Bij ons in de koffiekamer zat de hele dag een vereenzaamd oud vrouwtje dat verder niemand lastig viel.
Eind aan de vrijheid
Ook op zaterdagochtend was het Historisch Seminarium – zo heette het bij ons – open. Er kwam geen kip maar dat deden de hoogleraren uit principe omdat de universiteit een openbaar gebouw was en ook de arbeiders op hun vrije zaterdag in staat gesteld moesten worden bij ons boeken te raadplegen. In de jaren tachtig van de vorige eeuw was dit feest afgelopen. Men pleegde nieuwbouw voor de hele Letterenfaculteit en dat maakte een einde aan alle vrijheid. In mijn tijd hadden we op het Historisch Seminarium twee leeszalen, een voor middeleeuwse en een voor nieuwe geschiedenis. De tent ging ´s-avonds tegen tien uur dicht maar om half tien speelden de aanwezigen nog een partijtje voetbal met een stuk stuf als bal. Nou ik erover nadenk, professor Breebaart, Jan Best en de hunnen zaten met Oude Geschiedenis in een negentiende eeuwshuis aan de Weesperzijde met uitzicht op de Amstel.
Deel van de stad
Zo maakte de universiteit deel uit van de stad en dat zou in Rotterdam net zo goed moeten gelden voor cultuuropleidingen en alles wat daarom heen past,. De stad als geheel is de cultuurcampus. De verschillende instituten horen overal verspreid te worden ondergebracht in gebouwen die er al staan. Dat dit veel heen en weer fietsen met zich meebrengt en de aanstelling van meer beheerders dan nu, mag niet als bezwaar tellen. Als we willen dat Rotterdam een cultuurstad is, dan moet die cultuur om de hoek te vinden zijn. Codarts op het Kruisplein én de Pieter de Hoochweg tegelijk, dat is juist goed. En er zijn vast nog wel lege kerkjes te vinden waar je een prima dans- en concertzaal kunt inrichten voor kleine producties annex expositieruimte.
Cultuurcampus Rotterdam is overal.
hanvanderhorst[at]vandaagenmorgen[dot] nl