‘We leven in een bezeten wereld’ Carola Schouten in de Herman Tjeenk Willink lezing
Op dinsdag 17 maart werd de derde Herman Tjeenk Willink-lezing gehouden in de Gotische zaal van de Raad van State in Den Haag. Na de oud vice-president van de Raad van State zelf en Merel van Vroonhoven, leraar, toezichthouder en columnist van de Volkskrant, was het deze keer de beurt aan Carola Schouten, burgemeester van Rotterdam.
(door Carola Schouten)
Geachte aanwezigen,
‘We leven in een bezeten wereld. En we weten het.’
Met deze woorden probeerde historicus Johan Huizinga in 1935 te beschrijven wat hij om zich heen zag gebeuren. Een wereld die haar evenwicht kwijt was geraakt. Een wereld waarin redelijkheid steeds vaker werd verdrongen door drift, angst en macht.
Huizinga schreef dit in de turbulente periode tussen de twee wereldoorlogen. De opkomst van totalitaire regimes, economische onzekerheid en culturele ontreddering maakte dat de historicus sprak van bezetenheid. Wanneer we vandaag om ons heen kijken, krijgen die woorden opnieuw een bijzondere actualiteit. Niet omdat de geschiedenis zich letterlijk herhaalt, maar omdat de onderliggende vragen terugkeren.
Niet omdat de geschiedenis zich herhaalt, maar omdat de onderliggende vragen terugkeren
Terwijl wij hier vandaag samen zijn, verschuiven op wereldschaal tektonische platen onder onze voeten. Oorlogen woeden. Machtsblokken staan tegenover elkaar. Wereldleiders nemen beslissingen waarvan de gevolgen ver reiken; soms verder dan zij zelf lijken te beseffen.
Voor veel mensen voelt de wereld daardoor minder voorspelbaar. Onrustiger. Grimmiger.
Dat gevoel leeft niet alleen in de geopolitiek. Het zit ook in de onderstroom van het dagelijks leven. In gesprekken aan de keukentafel. In discussies op straat of werk. In het gevoel dat de toon harder wordt en dat vertrouwen tussen mensen en in instituties minder vanzelfsprekend is geworden.
Wanneer vertrouwen onder druk staat, groeit de behoefte aan houvast. Niet alleen in regels. Niet alleen in instituties. Maar in waarden.
Soms blijft de onrust op afstand. We zien haar in het nieuws en in analyses. Maar soms komt de bezeten wereld ook dichtbij.
Wanneer Joodse instellingen doelwit worden van intimidatie of geweld - zoals afgelopen vrijdag toen een Rotterdamse synagoge doelwit was van een laffe aanval met een explosief - voelen onze Joodse stadsgenoten hoe kwetsbaar veiligheid kan zijn. Niet ergens ver weg, maar hier, in onze eigen steden. En dat raakt ons allemaal. Omdat het ons eraan herinnert hoe broos een open samenleving kan zijn.
Soms komt de bezeten wereld dichtbij
Laat ik daar helder over zijn: antisemitisme is geen mening. Het is haat. En haat hoort geen plaats te hebben in onze samenleving.
Een stad als Rotterdam wordt niet alleen beoordeeld op haar skyline, maar ook op de manier waarop zij haar minderheden beschermt. Als burgemeester voel ik daar een grote verantwoordelijkheid voor. Het is mijn taak om verbinding te zoeken tussen mensen, maar ook om grenzen te bewaken wanneer die verbinding wordt bedreigd.
Vrijheid en veiligheid zijn geen vanzelfsprekendheden. Ze bestaan alleen zolang wij bereid zijn ze actief te verdedigen. Joodse Rotterdammers moeten zich veilig weten in hun eigen stad. Dat is geen gunst. Dat is een recht.
Samen met politie en veiligheidsdiensten hebben we maatregelen genomen om Joodse instellingen extra te beveiligen en scherp toezicht te houden waar dat nodig is.
Maar veiligheid alleen is niet genoeg om een samenleving bijeen te houden. Een samenleving wordt uiteindelijk niet alleen bij elkaar gehouden door regels. Zij wordt bij elkaar gehouden door waarden.
En precies daar begint de vraag waar ik vanavond met u over wil nadenken.
Een samenleving wordt bij elkaar gehouden door waarden en niet alleen door regels
Wat houdt een samenleving eigenlijk bijeen? Wat maakt een samenleving rechtvaardig? En hoe zorgen we ervoor dat regels niet alleen worden gevolgd, maar ook recht doen aan mensen?
Want is het recht volgen, altijd recht doen?
De filosoof Karl Popper zei ooit dat optimisme een morele plicht is. Dat klinkt misschien verrassend, zeker in een tijd waarin pessimisme soms realistischer lijkt. Maar Popper wist waar hij over sprak. Hij was een Oostenrijkse filosoof van Joodse afkomst die moest vluchten voor het naziregime.
Popper had gezien hoe een samenleving kan ontsporen wanneer macht en ideologie de plaats innemen van vrijheid en verantwoordelijkheid. En toch hield hij vast aan optimisme. Niet omdat hij dacht dat de wereld vanzelf beter zou worden, maar omdat hij wist dat een vrije samenleving alleen kan bestaan wanneer mensen blijven geloven dat verbetering mogelijk is.
Optimisme is geen naïviteit. Optimisme is verantwoordelijkheid. Cynisme bouwt niets. Verantwoordelijkheid wel.
Misschien is dat ook precies waarom een klein land als Nederland zo vaak probeert oplossingen te vinden voor grote problemen. Als je je vingertop op de wereldkaart op Nederland legt, verdwijnt het hele land onder je vinger.
Optimisme is verantwoordelijkheid. Cynisme bouwt niets
We zijn klein. Maar op veel terreinen hebben we invloed die groter is dan onze omvang. Van watermanagement tot wetenschap. Van innovatieve bedrijven tot universiteiten waar ideeën ontstaan die wereldwijd worden toegepast. Nederland is in veel opzichten een open laboratorium. Een plek waar oplossingen worden bedacht die de wereld raken.
Maar dat vraagt ook iets van ons. Want waarom zou je proberen de wereld te verbeteren als je niet gelooft dat dat mogelijk is? Iedere dag staan miljoenen mensen op met precies dat impliciete vertrouwen. We gaan naar ons werk. Zorgen voor onze kinderen. Helpen een buur. Zetten ons in als vrijwilliger. We proberen de wereld een klein beetje beter achter te laten dan we haar aantroffen. De meeste mensen willen het goede doen. En dat is misschien wel de grootste kracht van een democratie.
Maar soms raken systemen het contact kwijt met die werkelijkheid. Dan verschuift de aandacht van mensen naar regels. Van oplossingen naar procedures. Van vertrouwen naar controle. En precies daar ontstaat spanning. Want regels zijn nodig. Ze geven structuur en beschermen rechten. Maar regels mogen nooit belangrijker worden dan mensen.
Regels mogen nooit belangrijker worden dan mensen
In mijn eigen werk - eerst als minister en nu als burgemeester - heb ik daarom geprobeerd een eenvoudige maar fundamentele vraag centraal te houden:
Wie staat er tegenover mij? Niet een dossier. Niet een probleemcategorie. Niet een statistiek. Maar een mens. Voor mij is dat uitgegroeid tot een richtinggevende zienswijze: zie de mens.
Zie de mens in zijn geheel. Zie de mens achter het dossier. Zie de mens achter de cijfers. Zie de mens achter het probleem. Want mensen leven hun leven niet in beleidsvelden.
Niemand staat ’s ochtends op en denkt: vandaag ben ik een schuldenprobleem, een zorgvraag en een huisvestingsvraag tegelijk. Mensen leven hun leven als één geheel. Wanneer we dat geheel uit het oog verliezen, raken systemen soms de verbinding met de werkelijkheid kwijt.
Vier kardinale deugden
Wanneer we nadenken over wat een rechtvaardige samenleving betekent, komen we uit bij waarden die al eeuwen richting geven aan menselijke samenlevingen. De klassieke filosofie en theologie spreken daarbij over vier kardinale deugden: wijsheid, rechtvaardigheid, moed en matigheid.
Deze vier deugden vormen al sinds de oudheid een moreel kompas voor bestuur en samenleving.
Wijsheid betekent dat we proberen het geheel te zien. Niet alleen het dossier dat voor ons ligt, maar ook de werkelijkheid waaruit dat dossier is voortgekomen. Een beleidsregel kan logisch zijn op papier, maar wijs bestuur vraagt dat we ook kijken naar de gevolgen ervan in het leven van mensen. Wie alleen de regel ziet, mist de context. Wie het geheel ziet, begrijpt beter wat er werkelijk nodig is.
Wijsheid betekent dat we proberen het geheel te zien
Rechtvaardigheid gaat nog een stap verder. Het betekent dat we steeds opnieuw de vraag stellen: doen we hier werkelijk recht aan de mens die tegenover ons staat? Rechtvaardigheid is niet hetzelfde als het mechanisch toepassen van regels. Het vraagt dat we de bedoeling van het recht blijven zien: dat mensen eerlijk worden behandeld, dat omstandigheden worden meegewogen en dat regels uiteindelijk ten dienste staan van menselijke waardigheid.
Moed is nodig wanneer we merken dat systemen niet meer doen waarvoor ze bedoeld zijn. Dan vraagt goed bestuur dat we durven ingrijpen. Dat we durven zeggen: zo hebben we het misschien altijd gedaan, maar zo werkt het niet meer. Moed betekent dat bestuurders verantwoordelijkheid nemen om door verkokering heen te breken wanneer regels het zicht op de mens belemmeren.
En matigheid herinnert ons eraan dat niet iedere crisis vraagt om onmiddellijke reflexen of steeds nieuwe regels. In een tijd waarin problemen vaak om snelle antwoorden lijken te vragen, is matigheid juist het vermogen om rust te bewaren. Om eerst goed te begrijpen wat er werkelijk speelt, voordat we ingrijpen. Soms is de meest verstandige stap niet om harder te sturen, maar om beter te luisteren. Goed bestuur vraagt soms om rust. Om nadenken. Om het vermogen een stap terug te doen voordat we vooruitgaan.
Niet iedere crisis vraagt om onmiddellijke reflexen
Deze deugden zijn geen abstracte filosofie. Ze spelen iedere dag een rol in hoe we onze samenleving organiseren. En juist daar - in de praktijk - wordt zichtbaar hoe belangrijk het is om de mens te blijven zien. Wanneer we de vraag stellen wat een rechtvaardige samenleving eigenlijk is, komen we al snel uit bij de manier waarop overheid en samenleving met elkaar omgaan. In theorie lijkt dat vaak helder: de overheid maakt regels, de samenleving leeft ernaar. Maar in de praktijk is die verhouding veel complexer.
Regels zijn nodig. Ze beschermen rechten, geven duidelijkheid en zorgen ervoor dat we weten waar we aan toe zijn. Zonder regels kan een samenleving niet functioneren. Maar wanneer regels een doel op zichzelf worden, ontstaat er een probleem. Dan kan het gebeuren dat een systeem precies datgene uit het oog verliest waarvoor het ooit is ontworpen: de mens.
Tijdens mijn tijd als minister kwam ik daar verschillende keren mee in aanraking. Een voorbeeld dat mij altijd is bijgebleven gaat over mensen met mentale gezondheidsproblemen. Uit onderzoek weten we al jaren dat drie elementen cruciaal zijn voor herstel: structuur, regelmaat en sociale contacten. Werk voorziet precies in die drie elementen. Werk geeft ritme aan de dag, het brengt mensen in contact met anderen en het geeft een gevoel van betekenis.
Toch zagen we in de praktijk dat veel mensen met psychische klachten langdurig buiten het arbeidsproces terechtkwamen. Niet omdat zij niets konden. Niet omdat zij niet wilden. Maar omdat het systeem niet goed wist hoe ermee om te gaan. Werk hoorde bij het domein van arbeid. Zorg hoorde bij het domein van gezondheidszorg. Uitkeringen vielen weer onder een ander systeem.
Wanneer iemand met psychische klachten weer ging werken, gebeurde er iets opmerkelijks. Het medicijngebruik daalde. Het aantal zorgopnames nam af. Mensen kregen weer structuur in hun leven en voelden zich minder geïsoleerd. Maar de kosten en baten van die ontwikkeling vielen niet op dezelfde plek. De winst zat bij de werkgever en bij de persoon zelf. De kosten lagen bij de zorgaanbieders en bij de overheid. Iedereen zag dat het goed was voor de mens, maar het systeem wist niet hoe ermee om te gaan.
Het systeem wist niet hoe ermee om te gaan
Daarom hebben we destijds een pilot opgezet. Niet door nog meer regels toe te voegen, maar door juist de vraag centraal te stellen: als dit goed is voor de mens en goed is voor de samenleving, waarom zouden we het dan niet doen?
Door de verschillende partijen bij elkaar te brengen en de bureaucratische schotten tijdelijk los te laten, ontstond er ruimte om te experimenteren. Het resultaat was veelbelovend. Mensen kregen weer perspectief, werkgevers ontdekten talent dat eerder buiten beeld bleef en zorgkosten namen af. Het belangrijkste was misschien wel dat mensen weer als mens werden gezien. Niet als dossier. Niet als zorgvraag. Maar als iemand met mogelijkheden.
Zie de mens.
Een ander voorbeeld waarin deze manier van kijken zichtbaar wordt, is de wijkrechtspraak. Vaak vindt rechtspraak plaats in grote, anonieme gebouwen. Mensen worden daar geconfronteerd met een systeem dat vaak ingewikkeld en afstandelijk voelt. Voor veel mensen is een rechtszaal een plek waar ze maar één keer in hun leven komen en waar ze zich onzeker of zelfs angstig voelen.
Wijkrechtspraak probeert dat anders te doen. Daar wordt recht gesproken dichter bij de plek waar de problemen ontstaan: in de wijk zelf. De rechter kijkt niet alleen naar de overtreding, maar ook naar de omstandigheden waarin die overtreding plaatsvond. Want achter een overtreding schuilt vaak een verhaal. Schulden. Werkloosheid. Verslaving. Psychische problemen. Wanneer je die werkelijkheid negeert, kun je wel een straf opleggen, maar verandert er vaak weinig. Wanneer je de mens wél ziet, ontstaat er ruimte om naar oplossingen te zoeken die verder gaan dan alleen een juridische uitspraak.
Wijkrechtspraak
Na de uitspraak wordt dan vaak meteen gekeken welke hulp nodig is. Moet iemand geholpen worden bij schulden? Is er begeleiding nodig richting werk? Moet er zorg worden georganiseerd? Het systeem kijkt dan verder dan de overtreding. Het kijkt naar de mens.
Dat vraagt wijsheid. Dat vraagt rechtvaardigheid. Maar het vraagt ook moed. Want het betekent dat we moeten durven erkennen dat regels soms onvoldoende zijn om recht te doen aan de werkelijkheid van mensen. Helaas stuiten we tegenwoordig op beperkingen door privacyregels. Deze regels verhinderen dat de hulp die geboden wordt na de rechtspraak effectief gecombineerd kan worden met andere vormen van ondersteuning. Terwijl dit begrijpelijk is vanuit een juridisch perspectief – het beschermen van de privacy is essentieel – is het frustrerend omdat het ons belemmert om volledig recht te doen aan de mens.
De naamgever van deze lezing - Herman Tjeenk Willink - schrijft in zijn boek ‘Groter denken, kleiner doen’ dat er in samenleving een groeiend gevoel van onrust is ontstaan. Niet alleen door geopolitieke ontwikkelingen, maar ook doordat mensen het gevoel hebben dat de verbinding met de toekomst verzwakt. Tegelijkertijd wordt de verbinding met het verleden - met de waarden die onze samenleving hebben gevormd - steeds minder zichtbaar. Tjeenk Willink beschrijft dat als een morele diagnose. Volgens hem ontstaat het probleem wanneer we de mens niet meer zien als een geheel, maar als een verzameling losse problemen die afzonderlijk moet worden opgelost.
Werk wordt beleidsterrein A. Zorg wordt beleidsterrein B. Wonen wordt beleidsterrein C. Maar mensen leven hun leven niet in beleidsvelden. Wanneer de overheid mensen alleen nog vanuit zulke losse onderdelen bekijkt, ontstaat er verkokering.
Het systeem wordt overzichtelijker voor de organisatie, maar ingewikkelder voor de mens. En precies daar ontstaat het gevoel dat mensen soms hebben, namelijk dat systemen hen niet meer zien.
Tjeenk Willink wijst er daarom op dat een democratische rechtsstaat alleen goed kan functioneren wanneer er een voortdurende wisselwerking bestaat tussen overheid en samenleving. Evenwicht en tegenwicht. Samenspraak en tegenspraak. Macht en tegenmacht. De overheid kan niet zonder samenleving. Maar de samenleving kan ook niet zonder overheid. Het zijn geen tegenpolen. Het zijn partners. En partnerschap vraagt vertrouwen. Maar vertrouwen ontstaat alleen wanneer mensen zich gezien weten.
Zie de mens.
De overheid en de samenleving kunnen niet zonder elkaar
Wanneer we deze gedachte serieus nemen, betekent dat ook iets voor de manier waarop we kijken naar verantwoordelijkheid in onze samenleving. Want verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij de overheid. Verantwoordelijkheid ligt ook bij de gemeenschap zelf.
Wanneer we nadenken over de verhouding tussen overheid en samenleving, is het verleidelijk om vooral naar instituties te kijken. Naar wetten, naar beleid, naar organisatiestructuren. Maar uiteindelijk rust een samenleving niet alleen op systemen. Zij rust op mensen. Op de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Op de bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen voor de omgeving waarin we leven.
De Britse filosoof Phillip Blond beschrijft in zijn boek Red Tory hoe in de tweede helft van de twintigste eeuw twee grote krachten - de overheid en de markt - steeds meer invloed kregen op de inrichting van de moderne samenleving.
Aan de ene kant groeide de overheid. Met goede bedoelingen nam zij steeds meer verantwoordelijkheden op zich om mensen te beschermen en zekerheid te bieden. Aan de andere kant groeide de invloed van de markt. Steeds meer aspecten van het dagelijks leven werden georganiseerd via economische logica. Maar volgens Blond gebeurde er tegelijkertijd nog iets anders. De ruimte van de gemeenschap werd kleiner. Mensen werden steeds vaker benaderd als klant of als consument. Maar een samenleving bestaat niet alleen uit klanten en consumenten. Zij bestaat uit burgers. Uit mensen die niet alleen rechten hebben, maar ook verantwoordelijkheid dragen voor elkaar.
De werkelijke kracht van een samenleving bevindt zich daarom niet alleen in de staat en ook niet alleen in de markt. Zij bevindt zich in de ruimte daartussen. In buurten. In verenigingen. In informele netwerken. In initiatieven van mensen zelf. Als burgemeester zie ik dat iedere dag in Rotterdam. Rotterdam is een stad met 674.000 inwoners. Dat zijn 674.000 verschillende levens. 674.000 verschillende verhalen. Ik heb ze nog lang niet allemaal ontmoet. Maar in de tijd dat ik burgemeester ben, heb ik al heel veel Rotterdammers gesproken. En steeds weer zie en hoor ik hetzelfde. Een enorme bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen voor elkaar. Voor de straat. Voor de buurt. Voor de stad.
De werkelijke kracht van een samenleving...
Soms gebeurt dat in grote initiatieven. Buurtorganisaties die activiteiten organiseren voor jongeren. Vrijwilligers die zich inzetten voor ouderen. Mensen die zich inzetten om hun wijk leefbaar te houden. Maar soms zit die verantwoordelijkheid ook in kleine dingen. In alledaagse momenten.
Neem iets ogenschijnlijk eenvoudigs: vuil op straat. Wie ruimt dat op? Veel mensen zullen zeggen: dat is de taak van de gemeente. We betalen belasting dus de gemeente moet zorgen dat de stad schoon blijft. En natuurlijk heeft de gemeente daar een verantwoordelijkheid. Maar veel Rotterdammers weten ook dat een stad alleen schoon blijft wanneer mensen zelf ook verantwoordelijkheid nemen voor hun omgeving. Wanneer iemand een stuk afval opraapt dat niet van hem is, gebeurt er iets kleins.
Maar tegelijk gebeurt er iets groots. Iemand zegt daarmee: deze straat is ook van mij. Deze stad is ook van mij. Dat is gemeenschap. Dat is burgerschap.
Het laat zien dat een stad niet alleen bestaat uit beleid en regels, maar ook uit betrokkenheid. En precies daar ligt een belangrijke sleutel voor de toekomst. Want in een wereld die soms grimmiger lijkt te worden, groeit ook de behoefte aan weerbaarheid.
Weerbaarheid betekent niet alleen dat een samenleving zich kan verdedigen tegen dreigingen van buitenaf. Weerbaarheid betekent ook dat een samenleving van binnenuit sterk is. Dat mensen elkaar weten te vinden. Dat er netwerken bestaan van vertrouwen en samenwerking. Dat mensen niet alleen naar de overheid kijken wanneer er iets misgaat, maar ook zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun omgeving. Dat maakt een samenleving minder kwetsbaar. Sterker. Veerkrachtiger.
Het levende bewijs van deze sterke en veerkrachtige houding zit vandaag hier in de zaal. Rotterdammers die zich vanuit hun eigen zorg en drang inzetten voor straat-, buurt- en stadsgenoten. Vaak onbetaald. Echt vanuit diepe zorg en overtuiging. Ik ben deze Rotterdammers Stadsverwarmers gaan noemen omdat zij vanuit hun kracht en doorzettingsvermogen de stad van binnenuit verwarmen.
Een Rotterdamse traditie van gemeenschappelijke kracht
Door hun goede werk in alle haarvaten in de stad staan ze niet alleen hun medemens bij in allerhande praktische zaken. Ze verstevigen meteen ook het sociale cement in buurt. En zorgen daarbij ook voor meer veiligheid, want wie zich gezien weet, voelt zich vaak veiliger. De Stadsverwarmers staan – bewust of onbewust – in een mooie Rotterdamse traditie van gemeenschappelijke kracht. Want wanneer we terugkijken naar de geschiedenis van Rotterdam, zien we hoe belangrijk die gemeenschappelijke kracht kan zijn en waartoe het kan leiden.
Op 14 mei 1940 werd het centrum van de stad verwoest door het bombardement. Het hart van Rotterdam lag in puin. Maar wat daarna gebeurde, is misschien wel het meest indrukwekkende hoofdstuk uit de geschiedenis van deze stad. Er werd gebouwd. Temidden van de chaos werd gerouwd en tegelijkertijd georganiseerd. Buren hielpen elkaar. Ondernemers begonnen opnieuw tussen het puin. Architecten begonnen met het tekenen van een nieuw centrum terwijl de rook nog boven de stad hing.
Wij zijn de tijden
De wederopbouw van Rotterdam was geen administratief proces. Het was een menselijke opgave. Een gezamenlijke inspanning van een gemeenschap die besloot dat de toekomst niet bepaald zou worden door verwoesting, maar door samenwerking. Augustinus schreef eeuwen geleden: Wij zijn de tijden. Dat klinkt confronterend. Want het betekent dat wij zelf verantwoordelijk zijn voor de tijd waarin we leven. Wij maken de tijd. Met onze keuzes. Met wat we dulden. Met wat we opbouwen.
De Rotterdammers van toen lieten zien wat dat betekent. De tijd was verwoesting. Maar de mensen zorgden samen voor wederopbouw. Die geschiedenis laat zien dat de kracht van een samenleving uiteindelijk niet alleen in systemen zit.
De kracht van de samenleving zit in mensen. In hun bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen. Voor elkaar. Voor hun stad. Voor hun toekomst.
De neiging om voor elk probleem een nieuwe wet of regel te maken
Geachte aanwezigen, ik rond bijna af.
Eerder stelde ik de vraag of het recht volgen ook altijd recht doen is. Mijn conclusie is dat dit samenhangt met hoe de overheid zich zowel organiseert als opstelt naar mensen. Een overheid die opereert op deelterreinen en op die manier vraagstukken benadert, mist de context en zal niet altijd recht doen aan mensen. Het vereist dat vraagstukken minder vanuit torens worden beschouwd, maar als geheel. Dat vraagt wat van hoe we onze overheid nu hebben ingericht.
Ministers hebben hun eigen begroting en worden daaraan gehouden. Wethouders evenzo. En binnen die begroting zoomen bestuurders in op een deel van een geheel en zijn ze tevreden als daar een oplossing voor een deel van het probleem wordt gevonden. Mijn oproep is: organiseer dit anders. Houd ruimte voor het oppakken van problemen over al die kolommen heen. Pas daar dan de financiering op aan en reken daar bestuurders op af. In de klassieke deugdenleer zou dit wijsheid heten. Kortom: zoom uit en zie de mens.
Een van de nadelen van ingezoomde en verkokerde organisatiewijze, is de neiging ook om voor elk probleem dat wordt gesignaleerd, een nieuwe wet of regel te maken. Dit leidt vaak weer tot regels die elkaar tegenwerken waardoor mensen niet meer weten waar ze aan toe zijn. Dan ontstaat de houding ‘u dient de wet te kennen, veel succes’. Maar heel eerlijk gezegd: ook beleidsmakers en bestuurders weten het vaak ook niet meer te midden van die kluwen aan extra regels.
Ga terug naar een goede analyse
‘Deregulering’ wordt dan geroepen. Maar deregulering zonder goede probleemanalyse en de vraag of de oplossing elders kan liggen, leidt tot een onsamenhangend geheel. Mijn advies zou zijn: ga terug naar een goede analyse, vraag wat dan nodig is om recht te doen en durf dan ook te zeggen dat een nieuwe wet of regel niet het antwoord is. En geef hiermee gehoor aan de deugd matigheid.
Eerlijk is eerlijk: dan nog kunnen mensen tussen wal en schip belanden en wordt er geen handelingsperspectief geboden. Durf dan te vertrouwen op de professionals in de uitvoering. Gééf hen dat vertrouwen ook. Zodat zij ruimte krijgen om te handelen naar de situatie; ook als dat ertoe leidt dat we niet alles uniform organiseren en uitvoeren. Juist hier steekt de deugd rechtvaardigheid de kop op omdat het echt recht doet aan de werkelijkheid. Uitvoerders zijn daarmee niet de volgers van de regels of wetten, maar rechtbrengers in unieke omstandigheden.
Dit alles vraagt ook om moedige bestuurders. Bestuurders die zich niet verschuilen achter de opmerking dat de regel nu eenmaal zo is, maar die zelf blijven reflecteren op de vraag wanneer recht wordt gedaan.
Laat in dat alles ruimte aan de samenleving. Maak mensen mede-eigenaar van oplossingen. Dat doen ze overigens zelf al. Dan wordt meteen duidelijk waar een samenleving werkelijk op rust. Niet op macht, niet op regels alleen, maar op mensen.
En dit is misschien wel de belangrijkste boodschap die ik vandaag met u wil delen:
In zulke tijden wordt zichtbaar waar een samenleving werkelijk op rust
Ja, we leven in een bezeten wereld. Maar juist in zulke tijden wordt zichtbaar waar een samenleving werkelijk op rust. Niet op macht. Niet op regels alleen. Maar op mensen. Burgerschap is geen status. Burgerschap is een opdracht. Het vraagt iets van ons allemaal. Van bestuurders. Van professionals. Van inwoners. Het vraagt dat we de mens blijven zien. Ook wanneer systemen ingewikkeld worden. Ook wanneer regels soms de overhand lijken te krijgen. Ook wanneer meningen botsen en spanningen oplopen.
Blijf de mens zien. Zie de mens achter het dossier. Zie de mens achter het probleem. Zie de mens achter de cijfers. Want uiteindelijk zijn we altijd met meer. Meer mensen die willen bouwen dan breken. Meer mensen die willen verbinden dan verdelen. Meer mensen die hun stad, hun land en hun wereld een beetje beter willen achterlaten voor de generatie die na ons komt.
Daarom moeten we blijven doen wat binnen onze macht ligt. Als Rotterdam. Als Den Haag. Als Nederland. Stap voor stap. Dag na dag. Want uiteindelijk begint een betere samenleving niet bij grote woorden, maar bij iets eenvoudigers. Bij de bereidheid om elkaar te blijven zien.
Zie de mens.
Moedig voorwaarts.
Dank u wel.