zondag 20 september 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Wandelen op Rotterdams brandgrens

4 mei 2015 (door de redactie)

(Rotterdam Vandaag & Morgen geeft nu en dan gastschrijvers de ruimte om hun pennenvruchten met een groter publiek te delen. Dick Gebuys is in Rotterdam geboren (1954) en voelt zich Rotterdammer voor het leven, al woont hij al weer vele jaren in Heerlen. Docent, dichter, schrijver, presentator van literaire- en culturele programma’s, zoals al vele jaren in de Pauluskerk).

 

(Door Dick Gebuys)


Ik ben in 1954 geboren. Toch zei Martin Mooij me een keer bij een gesprek over onze stad, Rotterdam: ,,Eigenlijk ben jij ook een oorlogskind.”
En dat klopte, vond ik. Want telkens als er in mijn jeugd familie bij elkaar kwam, werd er over de oorlog gesproken, werden er verhalen verteld. Over de onderduik van mijn Opa en mijn Oom in de Achterhoek van Gelderland, over de verplichte tewerkstelling van mijn vader in Düsseldorf, over de hongerwinter en het zoeken naar eten, over de eerste Duitsers in de stad en natuurlijk vooral over het bombardement van 14 mei 1940.

Brand
,,Ik stond op de luchtbrug bij de Westvarkenoordseweg en ik zag Duitse vliegtuigen overvliegen, nog geen uur later zag ik de stad in brand staan,’’ vertelde mijn Opa.
,,De volgende dag ging ik lopend naar mijn werk, naar de tabakfabriek van Dobbelman aan de Groenendaal. Alleen, toen ik daar door de straten vol puin aankwam, stond die fabriek er niet meer,’’ vertelde mijn vader.
,,Wij waren nog kinderen wisten wij wat die vliegtuigen kwamen doen,’’ vertelde mijn moeder.
,,De volgende dag moest ik gaan puinruimen. Toen zijn we bij een slijterij dronken geworden van de alcoholdampen die er hingen,’’ vertelde mijn Opa weer.
Iedereen had zijn eigen herinnering, zijn eigen herinneringen. En iedere nieuwe verjaardag of oudejaarsavond kwam daar weer een stukje bij. ‘Vroeger,’ dat was voor ons vóór de oorlog. Dat zat er bij kinderen van mijn leeftijd heel sterk in. Bij mij was die associatie zo stevig, dat ik niet begreep wat mijn onderwijzeres in de 2e klas van de lagere school bedoelde, toen ze het over taal en zinnen had.
,,Vroeger heb je geleerd dat…’’
Vroeger? Vroeger? Waar had ze het over? Vóór de oorlog zaten wij toch niet op school?
Voor de oorlog was ik er toch nog niet, eigenlijk…

 

 

 

De hele brandgrens rond het gebombardeerde gedeelte van het Rotterdamse stadshart.Gezwegen
Toch was het niet zo dat iedere Rotterdammer die in de jaren kort na de oorlog geboren werd, de oorlogsverhalen ook meekreeg op moeder- en vaderschoot gezeten. Later heb ik van mensen van de andere kant van de Maas gehoord, dat er daar vaak gezwegen werd over die vijf donkere jaren in onze geschiedenis. Met name dat bombardement werd verzwegen, daar hadden ze zelf middenin gezeten, dat was te erg geweest, dat had te diep op de emoties ingehakt, daar kon je maar beter niet meer over praten.
De verhalen van die kant van de bommen kwamen meestal dus pas later. Toen de ergste pijn weggesleten was, toen de getuigen beseften dat ze er toch nog over wilden praten, dat ze toch hun verhaal kwijt móesten.
Zo schreef Koos Postema zijn mooie bundeling van getuigenissen van familieleden op in ‘Het bombardement’ (1980) en verzamelde Wim de Boek (1990) 14 verhalen van mensen van de rechter Maasoever ‘die het hadden meegemaakt’ in ‘Onder de trap’.

Kneepkens
De in Heerlen geboren maar al vele jaren in Rotterdam wonende Manuel Kneepkens, constateerde dat mensen in zijn nieuwe woonplaats hoe dan ook geforceerd omgingen met de geschiedenis. Misschien vanuit hun aloude credo ‘Niet lullen maar poetsen’, vonden de Rotterdammers in de tijd dat hij daar kwam wonen (1971), dat je niet te lang stil moest staan bij dat verleden, dat de stad zich dat niet kon permitteren als de economie moest blijven draaien. En om diezelfde reden hadden ze ook al kort na de oorlog het Duitse achterland weer nodig gehad.
Desondanks hamerde Kneepkens er later als gemeenteraadslid op dat bepaalde momenten uit het verleden van die stad in de memorie van de bewoners moesten worden vastgelegd. En er kwam dus een wandeling langs een gemarkeerde en ’s avonds verlichte ‘Brandgrens’.
Ik ken Garmt Stuiveling van zijn laatste college, niet lang nadat ik mijn studie Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam begonnen was. Het maakte weinig indruk op me, zoals de hele figuur van Stuiveling nooit veel indruk op mij gemaakt heeft. Ik dacht wel als jong Rotterdams studentje in 020, dat je kennelijk verrekt makkelijk professor kon worden.

Andere Stuiveling
Blijkens boze bladzijden in J.B. Charles’ ‘Volg het spoor terug’ valt Stuivelings oorlogsverleden op zijn minst als even weinig imponerend te kenschetsen.
Maar nu, hier lopend op de grens van waar de bommen vielen met een oud-leerling van J.B. Charles, kom ik ook een andere Stuiveling tegen: de jonge man die vanuit het huis van zijn schoonouders, Van Vierssen Trip, aan de Parklaan 11 de brand van de stad meemaakte en erover schreef in ‘Onvoltooid verslag’ – ,,Naar het Noordoosten was de hemel zwart van een beangstigende rook die omhoog spoot uit de brandende binnenstad.’’
Ik mix in onze tocht oude verhalen met nieuwe indrukken. Zoals op het terras van het mooie grand-café Loos, de sfeervolle zaal van het legendarische bruine café Melief Bender, de nieuwe Pauluskerk en de kleine maar van het goede boek voorziene boekhandel Snoek.
Arno en zijn broer Marc houden hier een prima zaak vol goede boeken, ook een prachtige Rotterdam-collectie. Onvoorstelbaar is hoeveel boeken er over Rotterdam bestaan, talloze goede boeken over diverse onderwerpen. Vroeger moest je voor de stadsgeschiedenis in een muf ruikende kast achterin de Slegte aan de Coolsingel neuzen. Tegenwoordig lijkt er iedere week wel een nieuw boek uit te komen.

 

 

 

 

Een deel van de wandelroute langs de brandgrens.Bezieling
We zijn door de Pierre Baylestraat gekomen. Jacques Oerlemans, mijn vroegere docent geschiedenis op het Charlois lyceum, kon het ons vol bezieling vertellen: ,,Als er één man is die Rotterdam zou moeten eren dan is dat Pierre Bayle. Die man heeft lang genoeg in de stad gewoond om Rotterdammer genoemd te mogen worden! Eerder dan Erasmus. Omdat die een bastaard was van de pastoor is hij al naar een paar dagen naar Gouda overgebracht!’’

Ik stop even voor De Schouw in de Witte de With, het café van Tineke Speksnijder die ook haar sporen verdiende als zangeres. Heb nog een gesigneerd cd-singletje van haar… Tineke is niet aan het werk vanmiddag, maar we kunnen toch even de sfeer opsnuiven. De sfeer van de oude Rotterdamse kunstenaarsscene. Of van wie tenminste de indruk wil wekken daarbij te horen. De sfeer van de kunst en de haven, sowieso een moeizame relatie!
Als we bij Melief zitten, probeer ik uit te leggen hoe een deel van de Binnenweg in brand vloog en dan nog niet eens door de bommen, maar door de wind die de vlammen die kant uitvoerde.

Piet le Blanc
We lopen door de Jacobusstraat, de straat die me altijd doet terugdenken aan een van haar bekendste bewoners, de saxofonist Piet le Blanc. Voor een paar jenevers kreeg je Piet wel een half uur in de kroeg aan het spelen en dan deed hij daar zonder probleem nog een paar verhalen bij. Ik belde een keer met het telefoonnummer dat ik onder zijn naam vond. In deze straat.
,,Ja, met mevrouw Le Blanc.’’
,,Oh, bent u de vrouw van Piet Le Blanc?”
,,Nee joh, wij zijn toch al jaren uit mekaar!”
,,Oh, kunt u dan vertellen welk nummer ik wel moet bellen? Ik wou hem vragen om in Dordrecht voor ons op te treden.”
,,Nou, dat moet je mooi wel bij mij zijn. Want ik ben natuurlijk wel nog altijd zijn manager!”

Markthal
Ook in die straat en in de Mauritsstraat zien we oud met nieuw vermengd. Zoals wij dat zien die middag, zo handelen we ook.
Nu ons korte bezoekje aan Snoek trekt een aantal van ons wandelaars nog even naar de Markthal op de Binnenrotte, nieuwe toeristische trekpleister. Nog zo’n prachtig plekje Rotterdam dat tot stand gekomen is in de tijd dat Hamit Karakus zorgde voor de Stadsontwikkeling: door zijn ligging op de oude buitenmarkt laat die hal prachtig zien hoe in Rotterdam heden altijd het verleden blijft ontmoeten. En door wat er binnen en buiten te koop is toont de Maasstad hier hoe zij op een knooppunt van culturen ligt!

Deze tocht is nog lang niet af. Maar hij heeft ons nu een mooie middag bezorgd. De Brandgrens heeft ons door de geschiedenis van de stad laten lopen, voor mei ’40, na 14 mei 1940, na 1945, en nu…

Een heerlijke stad. Een eeuwige stad!

 

 

 

 

 

 

 

Deel dit bericht met je vrienden!