maandag 30 maart 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Vreewijk is voorbeeld van groene leefomgeving

7 juli 2016 (door Hans Roodenburg)

Het Rotterdamse Vreewijk - de bouw van deze woonwijk is begonnen in 1916 - is waarschijnlijk het beste voorbeeld van Nederland hoe we met tuinen omgaan.


Er kwamen in ons land in het begin van de twintigste eeuw geen aparte, zelfvoorzienende nederzettingen, maar wijken aan de rand van steden, zogenaamde tuinwijken. Zoals Vreewijk in Rotterdam.
De tuinwijken waren bedoeld om arbeidersgezinnen huizen met een tuin te bieden, zodat het gezin zich thuis kon ontspannen en in contact komen met de natuur.

Dat blijkt uit het onderzoek ‘Tussen groen en grijs. Een verkenning van tuinen en tuinieren in Nederland’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Bijna alle Nederlanders blijken tegenwoordig veel waarde te hechten aan een groene leefomgeving. Ongeveer een kwart van de tuinbezitters geeft daaraan in de eigen tuin uitdrukking door het overgrote deel ervan te beplanten. Naoorlogse generaties kiezen echter steeds vaker voor bestrating. In de publieke ruimte zien we juist wel groene initiatieven. Van alle Nederlanders heeft 70 procent een tuin bij het huis. De helft van de Nederlanders tuiniert: in hun tuin, in de volks- of buurttuin, op dakterras of balkon.

Het onderzoek laat zien dat tuinen met voornamelijk planten erin door de jaren heen steeds zeldzamer worden. Door te tuinieren blijven met name ouderen actief. De SCP-publicatie raakt het actuele debat over klimaatbestendige inrichting van particuliere tuinen. Naast deze duurzaamheid speelt ook de discussie over de leefomgeving van mensen en de rol van tuinen hierin.

Ongeveer 17 procent van de Nederlanders heeft de voortuin vol met planten. Een kwart van de tuinbezitters heeft minstens driekwart van de achtertuin beplant. Groene tuinen zien we vaker bij ouderen en hoger opgeleiden en ook in de stadscentra, waar de tuinen schaars zijn.

Jonge mensen, lager opgeleiden en vrouwen met een baan van minstens 30 uur per week hebben vaker een betegelde tuin. Vooral ouderen besteden veel tijd in hun tuin. Deze vrijetijdsbesteding gaat niet ten koste van sport en andere vormen van bewegen, zoals wandelen en fietsen. De leefwijze van tuiniers is in het algemeen een gezonde: ze besteden veel tijd buiten, nemen tijd om te rusten en te lezen en zitten veel minder achter de beeldschermen dan mensen die niet of weinig tuinieren.

Bij de tuininrichting spelen commercie en media een belangrijke rol. De grootste spelers, tuincentra en bouwmarkten bieden kant-en-klaar objecten zoals sierbestrating, decoraties en bloeiende planten, waarmee de koper direct resultaat ziet in zijn tuin. Veel bekeken tuinprogramma’s zijn vooral gericht op totale make-overs. Maar groene tuinen van mensen met groene vingers kunnen alleen groeien doordat kennis en vaardigheden worden overgedragen.

Ervaringen in het ouderlijk huis zijn hierbij belangrijk, maar ook natuureducatie. Voor zowel groene als bestrate voortuinen geldt: mensen zijn geneigd om te kijken naar de tuinen van hun buurtgenoten en dit mee te nemen in hun eigen tuinaanleg die in die zin ‘besmettelijk’ is.

Onderzoeker dr. Jeanet Kullberg stelt dat uit woonwensenonderzoek bekend is dat veel mensen een groene omgeving erg waarderen. De publicatie beschrijft factoren en drijfveren die invloed hebben op de inrichting van tuinen. En brengt in kaart hoeveel mensen kiezen voor een groene (planten) of een grijze (tegels) tuin. Er zijn tevens inzichten in tuinieren als vrijetijdsbesteding en hoe dat zich verhoudt tot bijvoorbeeld sporten of televisiekijken. Opnieuw is er dan een verschil tussen groen en grijs, maar dan qua leeftijd: vooral ouderen zijn actief in hun tuin.

In Nederland kreeg de Garden City-beweging uit Engeland begin twintigste eeuw deels navolging. De tuinstadgedachte paste binnen het beschavingsoffensief dat de arbeider tot meer huiselijke vrijetijdsbesteding moest aanzetten en, daarmee, uit de kroeg moest houden. Dat het tuinieren als verheffende vrijetijdsbesteding werd gezien, blijkt onder meer uit het feit dat agrarische activiteiten dikwijls verboden werden: er moesten siertuinen gemaakt worden en geen moestuinen.

In de eerste, filantropische wooncomplexen met tuinen, werden de voortuinen niet zelden ingericht door de beheerder van de woningen; in de achtertuin werd de verheffing wat minder streng afgedwongen en was men in de praktijk meestal vrij om een moestuintje aan te leggen.

Niet alleen de vraag of tuinieren gezien moest worden als particuliere hobby of als corvee was belangrijk voor de stedenbouw en of mensen dus wel of niet blij zouden zijn met een (grote) tuin. Een vraag was ook hoe privé de particuliere tuin eigenlijk mocht zijn. Het internationaal vermaarde tuindorp Vreewijk in Rotterdam, dat door Granpré Molière werd ontworpen, kan als illustratie dienen voor het spanningsveld dat zich voordeed tussen de tuin als publiek groen en de tuin als domein voor individuele expressie. Ten tijde van de wederopbouw in Nederland leefde bij een commissie, die het bouwprogramma voor de Rotterdamse wederopbouwwijken formuleerde, ook de gedachte dat omgang met de natuur een gevoel van verbondenheid zou opwekken.

In het SCP-rapport wordt een Rotterdamse vrouw opgevoerd die een tuintje bij het huis heeft en een volkstuin (elders). ,,Ik kijk wel om me heen, maar ik woon in een vrij nieuwe wijk van Rotterdam en ik moet zeggen dat ik die tuinen nou niet zo inspirerend vind dat ik denk van, tsjonge jonge jonge. Maar op de volkstuin kijk ik wel wat heeft de rest, maar dat is veel van hetzelfde, dat wel. We hebben ook een kruidentuin en vergeten groenten.’’

Een ander vertelt: ,,Heel gek gaat het met mijn jongste dochter, die heel zakelijk is ingesteld. Een vriendin van haar is onlangs overleden. Maar wij verzorgen samen het graf. Ik krijg steeds foto’s van haar, wat er nu groeit. Ik heb nog een andere graftuin in Rotterdam die ik verzorg. Dat is toch heel blij werk.’’

Tuinieren in de volkstuin is wel afgenomen door afname van het aantal beschikbare percelen. De wachtlijsten ervoor zijn er juist opgelopen. De sociale factor is in volkstuinen erg groot. Er zitten mensen bij die niet zozeer met hun tuin bezig zijn, als wel met het verblijf en de andere ‘bewoners’. Zij vinden er een type community die in de volkswijken dikwijls verdwenen is. Sommige ‘yups’ zie je er soms ook. Zoals in ‘de Spoortuin’ in het centrum van Rotterdam, aan de Blijdorpzijde, een bewonersinitiatief.

Fotobijschriften:
Bovenste foto: Een kunstzinnige tuin in Vreewijk. Foto © Janny Kok
Onderste foto: Er was zelfs een tuinenfestival in Rotterdam. Foto © Jaap Kok

Deel dit bericht met je vrienden!

De toekomst is vandaag, de geschiedenis wordt morgen geschreven

Vandaag&Morgen is een uitgave van Stichting Third Road. Steun onze verslaggeving op NL55 INGB 0009 2593 29 t.n.v. Stichting Third Road