dinsdag 24 november 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Markt in Tripoli

Tripoli (3) The final solution

8 maart 2011 (door Ronald Glasbergen)

Het is vrijdag. Nu het ochtendgebed in de moskeeën voorbij is zijn de smalle straten en passages vol met kopers en verkopers van kruiden en luxeartikelen. Vooral muziekinstrumenten, gekleurd damesondergoed, speel- en snoepgoed zijn populair.

Ik ga een levensmiddelenwinkel binnen, een goeie graadmeter voor welvaart. De keuze aan levensmiddelen doet niet onder voor een Nederlandse supermarkt: van chocolade, chips, bier, cola tot appelen, citrusvruchten en verse vleeswaren, met keuze uit vele soorten en merken.

Ik loop verder en kom op een groot plein. Rondom staan groene palmen. Het Groene Plein heet het. Aan de noordkant ligt achter een boulevard de zeekust en de andere zijden worden omsloten door de oude en de nieuwe stad. Het zou Griekenland kunnen zijn of Algerije, witgesausde mediterrane blokkenbouw en koloniale colonnades. Mannen spelen TricTrac op straat of praten met elkaar op een terras met een kop thee en een waterpijp of een sigaret. Het Alexandrië van Kafavis moet dezelfde sfeer gehad hebben. De sigaretten kosten hier bijna niets en iedereen die op een stoel zit rookt. Tripoli is een paradijs voor rokers.

Aan het plein ligt een fort waarin een nationaal museum gevestigd is, beroemd om zijn oudheidkundige collectie. Ik loop er heen. De man achter het loket vertelt dat het museum net gaat sluiten, tot half vier ’s middags. Ik besluit straks terug te keren en loop de stad in.

Hier en daar staan grote billboards met gefotoshopte afbeeldingen van Gadaffi. In tegenstelling tot minder flamboyante dictators staat hij op elk billboard weer anders afgebeeld: met en zonder Ray Ban zonnebril, visionair de lucht in kijkend of iets alerter de blik op iets wat dichterbij is gevestigd, altijd naar een punt net boven de kijker turend, palmen op de achtergrond of met een leuze ernaast, maar altijd enigszins relativerend, met de uitstraling van een toeristische poster. Zijn kop helpt, het zou zo maar de voorman van een populaire band kunnen zijn.

 

Om half vier ben ik terug bij het museum. De kaartverkoper zegt dat het museum gesloten is omdat het vrijdag is. Er zijn alleen nog wat buitenlandse groepen die rondgeleid worden. Ik leg uit dat ik bij alle groepen hoor en mag voor drie dinar naar binnen. Het is de moeite waard, er is veel te zien en ik laat me, meeluisterend met de groepen in alle talen, de achtergronden uitleggen.

De stad na de middagrust ontwaakt en voelt inmiddels al vertrouwd aan. Voor mij schuifelt een groepje Italianen door de straten. Ze worden net als ik, niet aangestaard en nergens lastig gevallen, geen mensen die iets willen verkopen of die hun diensten aanbieden. Tripoli is ‘anders’. Ik duik nog een paar levensmiddelenzaken in. De buurt ziet er wat verlopen uit, maar de inhoud van de winkels niet. Ze zijn net als de winkel bij de markt deze ochtend, tot de nok toe gevuld met luxe levensmiddelen. Ik maak foto’s, drink meer koffie en ga naar het hotel.

Ik eet in de buurt en bestel een taxi voor de volgende ochtend. Mijn vliegtuig vertrekt vroeg. Ik verken de buurt en als laatste het uitzicht op de bovenste verdieping van het hotel. Afrikaans ritme, het nachtleven van Tripoli gaat aan me voorbij. De volgende ochtend om half vijf wordt ik gewekt. Beneden wacht een vervallen taxi, de portieren en ramen werken met speciale gebruiksaanwijzing.

De straten zijn breed, leeg en nat, het heeft vannacht geregend. We gaan snel, binnen de stad boven de honderd, erbuiten sneller. Het is nu half zes. Ik zie betonpalen voorbij flitsen en kijk op de snelheidsmeter: honderdnegentig per uur, wat bewijst dat de motor van de auto het in ieder geval goed doet.

Even stel ik mij voor wat er gebeurt als de auto nu om wat voor reden slipt, een lekke band krijgt. Er zijn geen veiligheidsgordels, een vangrail is er niet en er is overal genoeg beton om voor een fatale impact te zorgen. Ik wil de chauffeur niet afleiden met vragen over snelheid. Wie weet doet hij het wel om mij een plezier te doen. Ik dood de tijd door me af te vragen of God zich het lot van individuele stervelingen aantrekt. Ik heb er niet veel vertrouwen in. Niet in het lot van levenden - zie hoe ze moeten leven - niet in dat van de doden – zie hoe ze sterven. De chauffeur, bedenk ik, zou zoiets niet goedkeuren.

 

Islamitische, Orthodoxe en Katholieke Goden lijken vooral de levenshouding van hun gelovigen te reflecteren die eerst door datzelfde geloof voorgevormd is. `I don ‘t believe in an interventionist God’, zingt Nick Cave ergens. En toch, de katholieke God met zijn geoliede Afrikaanse missies, beproefde organisatie, conservatieve chef en patronaat van de kunsten... .

Dankzij enige mazzel hebben we intussen de omgeving van het vliegveld bereikt en rijden nu het laatste stuk in normaal tempo. Ik betaal de taxi en wens de chauffeur een veilige rit terug. Bij de terminal koop ik met mijn laatste dinars koffie en het groene boekje van Moamar Gadaffi. `The GREEN BOOK presents the final solution to the problem of the instrument of governing’, zo staat in het voorwoord.

Ik blader door het boekje op zoek naar de grote lijn. Achterin staat: `Man is still backward because he is unable to speak one common language’. Dat laatste is me wel duidelijk geworden, het eerste –die `final solution’- lijkt me een denkfoutje: regeren zien als `instrument’ duidt op een starre kijk op de gang van zaken. Ik hou van het begrip `civil servant’. Er zit iets van dienstbaarheid in en die zou, in samenhang met de publieke zaak, het doel moeten zijn van alle ambtsdragers en van politici. Dienstbaarheid is geen ‘instrument’, het is een principe.

 

Even later ga ik door de douane. Intussen is het te laat om het Gadaffi nog te vertellen.

 

 

 

 

Foto ronald glasbergen

Zie ook:

Lees meer over:

Tripoli Gadaffi reisverslag
Deel dit bericht met je vrienden!