vrijdag 26 februari 2021

webZine over stad, cultuur
en wereld

Tripoli (1): Man is still backward

28 februari 2011 (Ronald Glasbergen)

‘Man is still backward because he is unable to speak one common language’

Rond kwart over één ’s nachts mogen we naar het vliegtuig. Lopen over de startbaan. Laatste bagagecontrole bij de vliegtuigtrap. Het vliegtuig, een tweemotorige Airbus, heeft plaats voor honderdtachtig passagiers maar blijft half leeg. Mijn buurvrouw, een Franse zendelinge uit Abéché, gaat met verlof naar Parijs. Ze wil net als ik onderweg in Tripoli blijven. Ze vertelt over vluchtelingen in het oosten van Tsjaad uit Darfur.

We hebben intussen een half uur vertraging en de airconditioning werkt niet, want de motoren starten niet waardoor het heet is in het vliegtuig. We wachten. Een stewardess zegt ons dat we weer uit moeten stappen. Er wordt een ander startaggregaat van de Franse militaire basis verderop gehaald en dat kost tijd. We lopen vierhonderd meter terug over de startbaan naar het lage donkere vertrekgebouwtje van N’Djamena.

Ik ga op een paar houten stoeltjes liggen, dut in en wordt wakker van rumoer. We vertrekken weer. We lopen naar het vliegtuig waarvan nu de straalmotoren loeien. Na het opstijgen zoek ik een lege bank achter in het vliegtuig om meer slaap in te halen.

In de schemering en met een uur vertraging komen we drie uur later boven het noorden van Libië. Nieuwsgierig naar het landschap kijk ik naar buiten. Morgenrood in de lucht, we duiken door de wolken.

Er doemt een geordend landschap op. Rechthoekig afgebakende lapjes grond met elk een gebouwtje, relatief veel asfaltwegen. Onverwacht anders dan de substantie ten zuiden van de Sahara. We landen vlekkeloos. In de aankomsthal blijf ik samen met drie Hongaarse zakenmannen en de zendelinge achter. Ik leg aan een official uit dat ik over vijfentwintig uur naar Brussel doorvlieg en een transitvisum voor Tripoli wil. Dat kan en kost me 10 dinar. Eén van de Hongaren gaat dollars wisselen voor dinars. Hij wisselt ook voor mij.

De zendelinge mag Libië niet in. De douane is onverbiddelijk. Het volgende vliegtuig naar Parijs vertrekt over een uur en ze moet niet denken dat ze zo maar een vliegtuig drie dagen later mag nemen. Ze gaat naar de vertrekhal en toont geen teleurstelling. In Tsjaad zal ze wel wat grillige bureaucratie gewend zijn.

Buiten spreekt een westers geklede man van een jaar of dertig me aan:`Taxi?` Ik vraag of hij Frans of Engels spreekt. Hij knikt maar zijn woordenschat in die talen blijkt nog beperkter dan mijn kennis van zijn taal. Met de paar woorden Arabisch die ik ken, vraag ik wat de rit kost. `Etlatin dinar’, zegt hij, dertig dinar. Dat is de helft van mijn dinars en meer dan 20 euro. Bij een loket van het vliegveld kom ik het normale tarief te weten. De chauffeur is met me meegelopen en na enig onderhandelen gaat hij akkoord met tien dinar.

Eenmaal op weg, over uitgestorven twaalfbaans asfalt, maakt de landelijke omgeving van het vliegveld plaats voor betonnen voorsteden. Kilometer na kilometer gelig gesausde flats, socialistisch georganiseerde woningbouw. De chauffeur roept boven het motorgeluid uit: `Islam good?’ Ik kijk hem nieuwsgierig aan. Is dit het enige wat hij in een andere taal kan bedenken om een praatje te maken of wil hij weten of ik zuiver op de graad ben? `Not bad’, zeg ik en het blijft stil tussen ons. De snelweg vertakt zich in brede wegen de stad in. We volgen een weg langs een uitgestrekt ommuurd complex met betonnen wachttorens. Het ziet er nieuw en goed onderhouden uit, er zijn aardig wat geüniformeerde bewakers te zien. Er lijkt geen einde aan de hoge betonnen muren te komen. `Tripoli good?’, vraag ik. De chauffeur knikt vaag.

 

(Wordt vervolgd)

 

Foto ronald glasbergen

Zie ook:

Lees meer over:

Tripoli Gadaffi N’Djamena Airbus
Deel dit bericht met je vrienden!