donderdag 26 november 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Gebouw van de VOC-Kamer Rotterdam mee opgericht door Johan van der Veeken Afb. Pieter Schenk ca 1700

'Rotterdammers deden in slaven, zoals ze ook in haring en hout deden'

2 november 2020 (door Han van der Horst)

Slavernij en slavenhandel zijn onlosmakelijk met de geschiedenis van Rotterdam verbonden, in ieder geval sinds 1596, toen de koopman en investeerder Johan van der Veeken er voor het eerst kapitaal in stak. Het is een verhaal zonder eind, want vandaag de dag heeft een op de acht Rotterdammers slaven en slavinnen onder de voorouders. Ook zitten we met de initiatiefrijke Johan van der Veken in onze maag. Kunnen wij met deze wetenschap verdienstelijke ondernemers nog wel eren met een naar hem genoemde legpenning?

Drietal boeken over Rotterdam en slavernij

'Rotterdammers deden in slaven zoals ze ook in haring en hout deden', stipuleerde prof. dr. Alex van Stipriaan zaterdagmiddag in het Wereldmuseum. Daar werd een mijlpaal bereikt in het grote onderzoek naar de betrokkenheid van de Maasstad bij dit schandelijk bedrijf dat de gemeente in opdracht heeft gegeven om gevolg te geven aan een motie van het toenmalige PvdA-raadslid Peggy Wijntuin. Op de bijeenkomst werden drie kloeke door de Amsterdamse tak van uitgeverij Boom gepubliceerde studies gepresenteerd, uiteraard op de eerste plaats aan háár, maar ook aan burgemeester Aboutaleb – uit zijn ziekbed herrezen maar toch zwakjes – en wethouder integratie Bert Wijbenga. De laatste twee moeten er mee aan de slag gaan want bij historische en antropologische studies kan het niet blijven.

Het hele project werd geleid door prof. dr. Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde in Leiden. Zelf redigeerde hij een artikelenbundel met de titel Het koloniale verleden van Rotterdam. Álex van Stipriaan schreef de monografie Rotterdam in slavernij, dat meer specifiek gaat over de betrokkenheid van Rotterdammers en hun handelspartners bij het kopen en verkopen van mensen. De derde bundel is samengesteld onder leiding van Francio Guadeloupe, Paul van de Laar en Liane van der Linden. Die gaat niet over het verleden maar over het heden: Rotterdam, een postkoloniale stad in beweging.

Tijdens de presentatie zei Alex van Stipriaan drie belangrijke dingen: niemand kan nu nog zeggen dat hij van de prins geen kwaad wist. Het is bekend. Het is allemaal opgeschreven. Dat wil zeggen: het is nu bij elkaar opgeschreven, want er is best het nodige onderzoek gedaan naar de Rotterdamse slavenhandel. Er is bijvoorbeeld dit interessante artikel over de achttiende eeuwse rederij Van Coopstad en Rochussen. Toch kunnen al die verspreide bijdragen gemakkelijk aan de aandacht ontsnappen. Met Van Stipriaans boek kan dat niet.

Slavernij als brede bedrijfstak

Ten tweede hebben niet alleen de op slavenhandel gespecialiseerde rederijen geprofiteerd, maar ook de toeleveringsbedrijven, en dat waren er vele. Zo’n slavenschip moest proviand voor honderden gevangenen meenemen en allerlei artikelen om op de Afrikaanse kust ruilhandel te drijven met de Afrikaanse zakenpartners die het menselijk ebbehout (term uit die tijd) soms en gros, vaak en detail aanboden. De Leidse hoogleraar Piet Emmer heeft berekend dat de winstmarges van de slavenhandelmaatschappijen bescheiden bleven, maar dat kwam mede omdat ze zoveel in een reis moesten investeren. Van Stipriaan telde in zijn presentatie zelfs de sjouwers in de pakhuizen mee. Het gaat misschien een beetje ver om deze proletariërs tot profiteurs van de trans-Atlantische slavenhandel uit te roepen, maar toch dankten zij hun broodwinning mede aan in slavernij geteelde tropische producten die naar Rotterdam kwamen.

Boekhouding zweepslagen

Ten derde: je kunt niet zeggen dat men in Rotterdam nergens van wist. De slavenhandelaren en de plantagebezitters hielden nauwkeurig boek van hun bedrijfsvoering. Er zijn zelfs grootboeken waarin het aantal zweepslagen werd bijgehouden. Gert Oostindie en zijn onderzoekers onderbouwen hun bevindingen voornamelijk met boekhoudingen, die tegenwoordig worden bewaard in het gemeentearchief.

Bitter fruit

Van Stipriaans belangrijkste bevinding ligt besloten in de titel van zijn boek Rotterdam in Slavernij. Die is dubbelzinnig. De stad heeft zich door haar betrokkenheid bij dit bedrijf zelf ook vastgeketend in een bepaalde manier van denken waar we nu nog de bittere vruchten van plukken. De achterstelling en discriminatie in het hedendaagse Rotterdam wortelen maar al te vaak (zeker niet altijd) in vooroordelen uit de koloniale tijd, toen de blanke Europeanen zichzelf aanzagen voor de exclusieve dragers van beschaving en vooruitgang.

Die tijden horen voorbij te zijn. Alleen is dat bij lange na niet het geval. Om daarin verandering te brengen hebben burgemeester en wethouders (B&W) dan ook een zespuntenplan aangenomen dat uitgevoerd moet worden door VVD-wethouder Bert Wijbenga, die staande de vergadering de burgemeesterlijke (en ongetwijfeld ook vaderlijke) steun toegezegd kreeg van Achmed Aboutaleb. Een wezenlijk onderdeel daarvan is directe actie tegen daadwerkelijke discriminatie. Daarnaast prijken op de lijst je het uitdragen van de kennis in de drie studies over de hele stad, het bevorderen van dialoog over 'moeilijke' onderwerpen en het zoeken van een begaanbare weg naar heling. Tenslotte beginnen B&W een lobby in Den Haag voor een landelijk onderzoek naar het Rotterdamse voorbeeld.

Streef naar erkenning

Moeilijke onderwerpen zijn het. De nieuwe kennis over de rol van Rotterdam bij de mondiale slavenhandel kan gemakkelijk een splijtzwam worden. Dat zal gebeuren als men op zoek naar het pad van heling terecht komt in het moeras van verwijt en boetedoening. Dan ontstaat er geen dialoog maar aan de ene kant abjecte zelfbeschuldigingen aan de andere woedende ontkenning van het verleden. Het verleden van de stad behoort aan alle Rotterdammers gelijkelijk toe. Dat geldt ook voor de zwarte bladzijdes. De grens tussen schuld en onschuld mag niet raciaal worden getrokken. Dan wordt het weten ondraaglijk en de stad verscheurd door twee elkaar uitsluitende mythologieën. Erkenning van het verleden door alle betrokkenen is een andere zaak. Die is nodig om Rotterdam uit te bouwen tot een inclusieve stad waar ieder zijn talenten kan ontplooien ongeacht afkomst, huidskleur of sociale positie. Het gaat erom het geestelijk onkruid dat in het heden groeit op de ondergrond van het verleden uit te trekken. Niet om de geschiedschrijving om te vormen tot een tribunaal met rechters en beklaagden. De presentatie van de drie studies ademde die geest van ontmoeting, erkenning, en het delen van verhalen. Het komt wel goed zolang we blijven beseffen dat we Rotterdammers zijn onder elkaar met een gezamenlijke toekomst.

Het gaat erom het onkruid te wieden dat groeit op de bedding van het verleden. Niet om de geschiedschrijving om te vormen tot een tribunaal met rechters en beklaagden.

Bekijk hier de presentatie van de drie boeken over Rotterdam als koloniale en postkoloniale stad:

Zie ook:

Deel dit bericht met je vrienden!