woensdag 8 juli 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Potje pindakaas

18 februari 2009 (door de redactie)

De man, lange grijzende baard, sjofel gekleed, stond totaal verloren midden in de Aldi-supermarkt aan het Eudokiaplein. Hij was ogenschijnlijk zo weggelopen uit de vorige eeuw, zeker dik in de tachtig. Terwijl supermarktwagentjes links en rechts hem in grote snelheid passeerden, stond hij in zichzelf te mompelen: ‘Nergens een verkoper te zien. Wat is dit voor een zaak?!’ Hij hief daarbij zijn handen in grote vertwijfeling ten hemel.

Ik kreeg medelijden met hem en sprak hem aan: ‘Meneer, wat zoekt u?’ Zo hielp ik hem op weg. Midden in die drukke menigte keek hij mij hoopvol aan. Aan zijn verbaasde blik te zien was het net of hij in deze supergrote supermarktwoestijn zijn Verlosser had aanschouwd. ‘Een potje pindakaas’, mompelde hij tandeloos. Daarbij keek hij mij gretig aan. ‘Blijft u hier even wachten, dan ga ik op zoek’, sprak ik bemoedigend. En in mezelf denkend, ‘Jongen, jongen, waar ben je weer aan begonnen.’ Want waar begin je te zoeken tussen eindeloze rekken in een stampvolle zaak. Mijn eigen boodschappenwagentje had ik bij de oude man achtergelaten om sneller op pad te kunnen gaan.

Ook niet helemaal meer van gisteren liet ik allereerst een spiedend oog door de zaak gaan of er toevallig niet zo’n ‘verkoper’ in een blauw hesje te ontdekken viel. Maar dat geluk viel mij niet ten deel, anders had ik de oude man in een mum op zijn wenken kunnen bedienen. Dus zoeken, zoeken, zoeken, zonder oproep bij ‘Spoorloos’ te kunnen plaatsen. ‘Logisch denken’, hoorde ik mijzelf in gedachten.
Dus niet bij de vleeswaren, niet bij de schoonmaakmiddelen, misschien bij de nootjes en pinda’s. Maar zo eenvoudig bleek het niet te zijn. Onwillekeurig keek ik op mijn horloge, steeds denkend aan de ongedurige bejaarde. Aan mijn jachtende medeklanten hoefde ik het niet te vragen, want niemand heeft in zo’n situatie tijd. Ik zie het al voor me: ‘Weet u toevallig waar de pindakaas staat?’ Krijg je onmiddellijk verwijtende blikken en word je afgeblaft met: ‘Vraag het maar aan de kassa.’ Of een lolbroek á la het toenmalige hoorspel met het stereotype zinnetje van Ko van Dijk: ‘De pindakaas is op!’
Naar de kassa gaan had ook geen zin. Twee dames achter de telmachines met daarachter meters lange rijen. Na voor de zoveelste keer de supermarkt te zijn doorgelopen vind ik uiteindelijk tussen rijen andere potjes de felbegeerde pindakaas. Triomfantelijk pak ik het potje van het schap. Ik had geen idee of ik nu vijf of tien minuten had lopen zoeken.

Terug naar de oude man, die inmiddels was gaan zitten op een pallet met zakken suiker. ‘Kijk eens, meneer,’ roep ik enthousiast, ‘uw potje pindakaas!’ De man werpt een blik op de pindakaas en dan op mij, waarna hij moeizaam overeind komt. ‘Nou, nou,’ mompelt hij weer, ‘dat heeft wel lang geduurd. En wat mag dat potje dan wel kosten?’
Ik ben verbouwereerd, uit het veld geslagen. Geen blijde bejaarde, geen ‘dank je wel’. Een chagrijnige oude baas.
Het potje pindakaas stop ik snel in zijn hand met de woorden: ‘Alstublieft, vraagt u maar bij de kassa wat het kost.’ De man draait zich venijnig om en mompelt: ‘Die verkopers van tegenwoordig, ze weten van niks…’


Deel dit bericht met je vrienden!

De toekomst is vandaag, de geschiedenis wordt morgen geschreven