dinsdag 7 juli 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

 ‘My son John’ van Leo McCarey

30 januari 2019 (door Ronald Glasbergen)

Drank, kalmeringsmiddelen en spionnenjacht anno 1952 Het IFFR heeft dit jaar onder de 538 films die getoond worden een aparte afdeling ingeruimd voor het genre spionagefilms. Eigenlijk is legitimatie niet nodig. In spionageboeken en films komt alles samen: drama, internationale politiek, verraad, patriottisme, geweld, liefde, bedrog en natuurlijk, stiekem of niet stiekem bij de andere naar binnen koekeloeren. Zo kwam Rusland in de jaren veertig aan de atoombom en zo wordt nog steeds op grotere schaal dan ooit gespioneerd. Dankzij digitale en andere elektronica door staten, criminelen en vrijwel iedereen.

Hitchcock was gek op het genre en filmers als Ernst Lubitsch en Fritz Lang waren niet de enigen die al voor de Tweede Wereldoorlog films maakten in het genre, dat niet meer ophield te bestaan. Een van de laatste loten is de uitstekend gemaakte Franse Spionageserie ‘Bureau des legendes’.


Van Lubitsch en Lang draaien in het IFFR respectievelijk ‘Ninotchka’ (1939) en ‘Spione’(1928). Na WOII volgden onder vele anderen Carol Reed ‘The Third Man’ (1949 ), Joseph Mankewicz ‘The Quiet American’ (1958) maar ook ‘My Son John’ van filmmaker Leo McCarey uit 1952. Alle drie hadden iets met de Russen, zijn goede klassiekers, maar hebben een verschillende inzet. De eerste twee films laten ons zien hoe oorlog kan corrumperen. De film van McCarey daarentegen heeft een duidelijk anti-communistische boodschap. Kijk eens hoe een getalenteerde Amerikaanse jongen, met een briljante carrière voor zich, door idealisme kan uitgroeien tot groot gevaar voor zijn land. Het was de tijd van senator Joseph McCarthy, berucht om zijn drijfjacht op communisten binnen Amerika.

In de film vertrekken de jongste twee zonen uit het middenklasse gezin Jefferson naar de verre oorlog van Korea tegen de Chinese commies. Maar de oudste zoon John (Robert Walker), de studiebol van de familie met een baan in Washington loopt enigszins uit de pas. Als hij dan toch voor het afscheidsetentje van zijn broers opduikt, brengt hij zijn tijd liever door met zijn oude linkse collegeprofessor. John en zijn patriottische vader (Dean Jagger) liggen elkaar niet en zijn moeder (Helen Hayes) wordt argwanend door het gedrag van haar zoon. De spanningen in de familie lopen op, vooral wanneer een kleine autobotsing niet zo toevallig blijkt te zijn als het leek. De botsing was geënsceneerd door de FBI. Moeder Lucille Jefferson gaat zelf op onderzoek uit en vliegt naar Washington.

Stalin en de menselijke maat
Intussen was de film ook in liberale ogen van toen zo opgelegd anti-communistisch dat het grensde aan propaganda (zie artikel in de New York Times uit die tijd). Tegelijk maakt dat de film ook interessant. Want met de kennis van nu weten we dat de Sovjets in die tijd actief waren onder prominente Amerikanen en Britten medestanders te werven voor de Internationale c.q. de Sovjet Unie. Ongeveer zoals men nog steeds spionnen werft, maar toen beïnvloed door het naïeve geloof van sommigen dat het ‘wetenschappelijk’ communisme echt een rechtvaardiger en meer humane samenleving zou kunnen opleveren. Na de dood van Stalin en diens opvolger Nikita Chroesjtsjov was dat moeilijk meer vol te houden. Chroesjtsjov had immers op 25 februari 1956 in Moskou een geheime rede gehouden voor het congres van de Communistische Partij waar al snel passages van uitlekten. Hij sprak over de wandaden van Stalin in naam van het communisme, Voorde liefhebbers hier een link naar die redevoering in het Engels.

Overigens hielden ook die feiten de westerse fellow travellers er niet van af hulp te bieden aan de Sovjets. Veel linkse intellectuelen, onder wie Sartre, vonden dat het volk niet ontmoedigd moest worden wat de hoop betreft die het communisme bood. Dus dat de gruwelen van het Sovjet- en later het Maoïstische bewind in ieder geval niet extra onder de aandacht gebracht moesten worden.

Klassiek gefotografeerde spionage
Het verhaal is goed opgebouwd volgens alle regels van de klassieke scenariokunst en alle dramatische ‘beats’. Daarbij komt de zorgvuldige fotografie van Harry Stradling Sr. (1901-1970). Elke shot is letterlijk een plaatje. De montage is een schoolvoorbeeld van klassieke continuïteitsmontage, gesneden op de beweging en op het geluid. Marvin Coil (1912-1994) was de editor. En Helen Hayes (1900-1993), toen grand lady van het Amerikaanse theater en film, acteert uitstekend. Alle bijrollen zijn goed gespeeld en geregisseerd en ook de filmzoon John door Robert Walker (1918-1951) is zeker de moeite waard. Hij overleed echter kort na de bioscoopgang van de film, aan een combi van drank en kalmeringsmiddelen. Saillant want ook in de film spelen kalmeringsmiddelen een rol.

Rest de vraag: wie is Leo McCarey, de regisseur van de film? Hij is in 1896 geboren en ging later rechten studeren, evenals als John in ‘My Son John’ waarvoor hij mede het scenario schreef. McCarey was zelfs nog even strafrechtadvocaat voor hij films ging maken. In 1921 duikt hij al op als maker van ‘one-reelers’, films die op één spoel van maximaal 14 minuten pasten. Meestal waren dat komedies die in toenmalige bioscopen en op kermissen met muzikale begeleiding draaiden. In de jaren dertig begon hij programma vullende speelfilms te regisseren. Veelal waren dat vaardig gemaakte komedies, zoals met Stan Laurel & Oliver Hardy en met The Marx Brothers. Hij was een succesvolle vakman. Rond 1943 schreven de kranten over hem dat hij de best verdienende Amerikaan van dat moment was. Hij stopte in 1962 met het maken van films en overleed in 1969.

Als je de boodschap van de film met een flinke korrel zout neemt en als aanleiding kunt zien om nog eens even de geschiedenis van die tijd in te duiken, kun je aan ‘My Son John’ het plezier van een goed gemaakte klassieker uit de Golden Age van Hollywood beleven.

Foto © Filmdepot

 

 

Deel dit bericht met je vrienden!

De toekomst is vandaag, de geschiedenis wordt morgen geschreven