maandag 6 juli 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

'Mijntaferelen' in museum Boijmans

26 februari 2013 (door Manuel Kneepkens)

Wie in Rotterdam het museum Boijmans Van Beuningen bezoekt, moet zijn jas omhoog takelen met een kabel. Net als vroeger de kompels deden met hun plunje in de mijnen in Limburg. Er is geen gewone garderobe meer. Arbeidsbesparing levert dat overigens niet op. Er moet voortdurend een suppoost naast de kabels staan om de onwennige museumbezoeker te assisteren. Een wel heel typisch stukje mijnstreek midden in Rotterdam! Waar hebben we dat nu weer aan te danken?!

Wel, er zijn best veel overeenkomsten tussen Rotterdam en de (voormalige) mijnstreek. Ontstond er in de mijnstreek een groot werkeloosheidsprobleem voor laaggeschoolden door de sluiting van de mijnen, in Rotterdam ontstond een vergelijkbaar probleem door verregaande automatisering in de haven.

Wie in Rotterdam het museum Boijmans Van Beuningen bezoekt, moet zijn jas, net als vroeger de kompels in de mijnen deden met hun plunje, aan een kledinghaak hangen en aan een kabel omhoog takelen. Bij dit artikel enkele afbeeldingen van kledinghaken zoals deze vroeger in de mijnen werden gebruikt. Foto's: www.gluckauf.nl

Immigratie
Wat immigrantenproblematiek betreft was de mijnstreek Rotterdam zelfs voor! Polen en Italianen werden in de jaren vijftig massaal aangetrokken om in de mijnen te werken. Hun aantrekkingskracht op de Zuid-Limburgse schonen leverde in het weekeinde menig handgemeen op met het autochtone jongelingschap. De Limburger had het niet zo op de allochtoon.De onttakeling van de mijnstreek en de nabijheid van de (open) grenzen met Duitsland en België bleek in de jaren tachtig en negentig gunstig voor de heroïnehandel. Heerlen, de hoofdstad van de mijnstreek, qua inwonersaantal hoogstens een zesde van Rotterdam, stak Rotterdam wat de betiteling ‘Junk-city’ betreft naar de kroon.
Zelfs zo dat op het jaarlijkse veiligheidslijstje in Elseviers Weekblad Heerlen zelfs nog onveiliger werd geacht dan Rotterdam. Op dat lijstje stonden 54 steden. Nr. 1 was het veiligste, nr. 2 iets minder, enz. Nr. 53 was Rotterdam, nr. 54 en hekkensluiter Heerlen….

 

Vooruit gegaan
Toen ik nog in de raad van Rotterdam zat, placht ik dan ook te zeggen bij het jaarlijkse veiligheidsdebat, dat ik er persoonlijk …. op vooruit was gegaan, want ik ben geboren in Heerlen (54) en woon sinds jaar en dag in Rotterdam (53)…
En, niet onbelangrijk, de sluiting van de Limburgse mijnen heeft alles te maken met het succes van de Rotterdamse haven als steenkolenoverslagplaats voor de rest van Europa. Met de goedkope steenkool aangevoerd uit Amerika kon de productie uit de Nederlandse mijnen niet concurreren.
Ook op het terrein van de cultuur lijken de mijnstreek en Rotterdam op elkaar - èn op Eindhoven Tilburg en Enschede en andere (voormalige) arbeiderssteden. De humuslaag voor Cultuur met een grote C is er dun.
Dat wil niet zeggen dat het in die steden alleen maar botte zakelijkheid is. Sterker, er is juist onverwacht veel romantisering.
Zowel de Limburgse mijnwerker als de Rotterdamse havenarbeider hebben dat lot van romantisering ondergaan. De ene de stoere held ,,die in Nederland de kachel aanhield’’ de ander de stoere held ,,over wiens rug het voor heel Nederland verdiend werd…’’

 

Verfijning
Tenslotte, een curieus stukje verfijning te midden van al die viriliteit. Ik doel dan op Monsieur Jacques, het ‘het oer-Rotterdams’ beeldje van een ‘beursganger’ op de Coolsingel.
In Heerlen prijkt Monsieur ook! Het enige verschil met de Rotterdamse Monsieur Jacques is dat de Heerlense versie een hoge hoed op heeft.
Hoe nu?
Wel de oplossing van dit raadsel is eenvoudig. Beide beeldjes zijn van de hand van de in Heerlen geboren beeldhouwer Oscar Wenckebach, zelf de kleinzoon van een directeur van de Oranje-Nassaumijnen.

De garderobe 'Merry-go-round coat rack' van Studio Wieki Somers. Foto: Boijmans Van BeuningenMaar dit alles verklaart niet specifiek de aanwezigheid van het kompelsysteem in Rotterdams voornaamste museum. Zelfs het ‘werkelijke’ Mijnmuseum, dat in Heerlen staat, kent het niet. Waarom dan wel in Rotterdam? Het is hier eigenlijk net zo ‘out of place’, als zou in het Heerlense mijnmuseum prominent een model staan van de ss. Rotterdam!
Het toverwoord is Terwinselen.

 

Mijndorp
Terwinselen is het mijndorp aan de voet van de steenberg van de voormalige staatsmijn Wilhelmina. Ik zeg altijd dat ik kom uit Heerlen. Dat is niet onjuist, wat ik ben er geboren. Maar… ik ben opgegroeid in Terwinselen. Ik heb daar tot mijn veertiende gewoond.
Tot voor kort dacht ik dat ik de enige Terwinselenaar was in Rotterdam. Dat is niet zo. Er is er nog een…
En hij blijkt niet zonder invloed.
Naast scheepskapiteins en ‘chirurgen- aan- de-operatietafel’ is in Nederland nog één andere groep mensen van grote, directieve macht voorzien. Dat zijn de museumdirecteuren. Toen Crouwel museumdirecteur van het Boijmans was, een ‘design’man, rukte het ‘design’ zaal na zaal in het Boijmans onstuitbaar op.
Zijn opvolger Chris Dercon, maakte dat subiet ongedaan. Die was meer voor ‘Gesamtkunst’.
Geen wonder dat hij nu museumdirecteur in München is.

Sjarel Ex
Nu hebben we Sjarel Ex. Die komt ‘uit Utrecht’… Ja, daar was hij inderdaad voorheen directeur van het Centraal Museum. En de gimmick die hem landelijk bekend maakte was de plaatsing in dat museum van het pindakaasvloertje van Wim T. Schippers. Sjarel Ex kon het niet laten om die stunt nog eens te herhalen, hier bij ons in het Boijmans.
Maar… Utrecht, daar is hij niet geboren en ook niet opgegroeid.
Ook Sjarel Ex stamt uit… Terwinselen (Zie de Wikipedia). Vandaar dus dat exotische takelsysteem uit de mijnstreek in het Boijmans! Zou Ex de museumbezoekers soms zien als ‘kompels, die de mijnschacht van de geest indalen’? Museumdirecteuren houden van metaforen…
Hoe dan ook, omdat ik waarschijnlijk de enige Rotterdammer ben, die de oorsprong van het ophangsysteem in het Boijmans Van Beuningen kan duiden, heb ik dat bij deze maar eens gedaan.

 

 

Deel dit bericht met je vrienden!

De toekomst is vandaag, de geschiedenis wordt morgen geschreven