dinsdag 14 juli 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Mei ’40 - Mei ’46: 't Nieuwe Rotterdam

14 mei 2016 (door Ronald Glasbergen)

Op 10 mei 1940 vielen Duitse troepen Nederland binnen. De toenmalige minister-president, Dirk Jan de Geer, kon op die dag van de zenuwen de telefoon niet meer opnemen. Koningin Wilhelmina en de regering vluchtten 13 mei 1940 naar Engeland. Het leger mocht nog even doorvechten. Generaal Henri Winkelman was opperbevelhebber van het leger én van het land.

Op 12 en 14 mei wordt Rotterdam gebombardeerd. Op 15 mei capituleert Winkelman. Johan Ringers wordt commissaris voor ‘Weederopbouw’ hij is tot 28 mei almachtig in Nederland. Op basis van zijn besluiten wordt een nieuw ‘basisplan’ voor de stad ontwikkeld. De oude publieke ruimten worden uitgewist er komt nieuwe ongedifferentieerde abstracte ruimte voor in de plaats.


14 mei 1940: Bommen
Ingeleid door het Pinksterbombardement op 12 mei op de Marinierskazerne en op enkele stations waarbij ook de Diergaarde geraakt werd, volgde op 14 mei 1940 het bombardement dat de inleiding zou zijn voor de vrijwel totale vernietiging van het stadscentrum. Alhoewel de varianten over de precieze toedracht rond het bombardement omstreden zijn staan een paar dingen vast.
Duitsland voerde onder leiding van de Nationaal Socialistische partij aangevoerd door Adolf Hitler een zeer agressieve en racistische veroveringspolitiek. Duitsland had eerder de republiek Tsjecho-Slowakije door dreiging van een luchtbombardement op Praag tot overgave bewogen, had met meer dan 570 ton bommen de Poolse hoofdstad Warschau deels in puin gelegd. De Duitse legerstaf probeerde nu met de dreiging van een bombardement, de zogenaamde 'Vesting Holland' tot overgave te bewegen.
Het bombardement op Warschau had laten zien dat dit geen loos dreigement was. Deel van 'Vesting Holland' was Rotterdam waar zo’n 7000 man Nederlandse troepen, deels in opleiding, gelegerd waren. De Nederlandse legercommandant kolonel Pieter Scharroo, kreeg een ultimatum van de Duitsers. Bij niet-overgave zou de stad gebombardeerd worden. De kolonel treuzelde , evenals zijn superieur, opperbevelhebber Winkelman.
Op het laatste moment werden halfslachtige pogingen ondernomen om het bombardement te keren. Geschiedschrijving is net als een levende stad nooit voltooid, maar miscommunicatie lijkt voor het moment een redelijk neutrale omschrijving.
Waren de rode vuurpijlen die de Duitsers afvuurden bedoeld om eigen troepen niet het slachtoffer van bombardementen te laten worden of waren ze bedoeld om de bommenwerpers te doen keren? Aan de Wilhelminakade stond het passagierschip Statendam in brand.

Een deel van de Duitse bommenwerpers, type Heinkel 111 was Rotterdam rond tien voor half twee die dag vanuit het Noordoosten genaderd. De commandant zag -Nebel des Krieges / Fog of War- geen rode pijlen of wilde ze niet zien, het eskader laat zijn bommen vallen. In totaal meer dan elfhonderd stuks van vijftig en zo'n honderdvijftig bommen van tweehonderdvijftig kilogram. In totaal een kleine honderd ton explosief materiaal. Het merendeel ervan raakte de binnenstad. Aan de kant van havens bij de Leuvehaven zouden opslagtanks met plantaardige olie vlam hebben gevat. Daarvandaan verspreidde het vuur zich door de binnenstad. Er zijn ongetwijfeld nog meerdere brandkernen geweest waar vanuit de branden zich door de binnenstad verspreidden.
De meeste bewoners waren gevlucht, er was alleen vrijwillige brandweer die zich met een ramp van ongekende omvang geconfronteerd zag. Het waren volgens verschillende bronnen, de branden die de eerste dagen desastreuze vernieling aanrichten. Gezien het dichtbevolkte stedelijk gebied dat vernield werd was het aantal slachtoffers beperkt. Uiteindelijk zouden meer dan negenhonderd mensen omgekomen zijn. Meer dan tachtigduizend Rotterdammers werden dakloos.
Alle onhandigheden en dapperheden van de verdedigers en afwezige regeerders ten spijt was deze eerste ramp het directe gevolg van de agressieve politiek van het totalitaire Duitsland van dat moment. De bommen op Rotterdam waren bedoeld om Nederland snel tot overgave te bewegen. Kort daarop zou direct een ander totalitair ingrijpen volgen. Dit keer bureaucratisch en van Nederlandse zijde. In uitwerking was het even vernietigend.

15 tot 24 mei 1940: Ontmanteling en onteigening
Kort na de branden staan nog veel gebouwen en gebouwdelen uit voorgaande eeuwen overeind. De bezetter wil dat de wegen vrijgemaakt worden. De politie heeft het rampgebied afgezet. Bij de onder toezicht van gemeentewerken uitgevoerde opruimwerkzaamheden worden veelal werklozen ingezet. Historicus Roelofsz spreekt in zijn boek uit 1989 over 32000 man. Veel wordt ongevraagd en in het wilde weg gesloopt.
Ooggetuigen vertellen hoe zo veel waardevolle resten van inboedels en gebouwen 'verdwijnen'. Plundering heet dat niet-eufemistisch. Ambtenaren maken een lijst van 144 gebouwen te behouden panden waaronder de Grote Schouwburg uit 1868 waarvan de gevels vrijwel ongeschonden zijn. Haast alles gaat neer, inclusief de Schouwburg aan de Aert van Nesstraat. Naar schatting vijf miljoen kubieke meter puin bleef over.
Dat is de hele binnenstad, 2 vierkante kilometer, integraal bedekt met 2,5 meter puin. Het puin werd onder meer gebruikt om de waterwegen in de binnenstad mee te dempen. Deels werd het verscheept om als landfill te gebruiken elders.
Het besluit viel, eerst in Den Haag en later gesteund in Rotterdam, dat niet alleen de gebouwen moeten verdwijnen maar ook het stadsplan tot diep in de bodem. Het bijproduct van dat besluit was dat een deel van de stad dusdanig grondig uitgewist werd dat ook archeologen uit een verre toekomst geen kans meer zouden krijgen iets van die stad terug te vinden.

Na de vlucht van de Nederlandse regering en Koningin Wilhelmina naar Londen, vertegenwoordigt bevelhebber generaal Winkelman het hoogste gezag in Nederland. Hij is -tot de Duitsers het overnemen - dé regering. Op 18 mei 1940 benoemt generaal Henri Winkelman ingenieur Johan Ringers tot Commissaris voor de Wederopbouw. De Duitsers zullen zich tot 28 mei 1940 afzijdig houden. De macht van Winkelman en Ringers wordt intussen door niemand gecontroleerd. In Winkelman’s op 21 mei afgekondigd ‘Besluit tot Den Weederopbouw’ krijgt Ringers absolute bevoegdheden, die gebruikt hij ook.
Op 24 mei 1940, tien dagen na het bombardement, onteigent Ringers in één keer de hele binnenstad van Rotterdam. Dat waren dan 25.479 woningen, 31 warenhuizen, 2320 kleinere winkels, 31 fabrieken, 1319 werkplaatsen, 675 pakhuizen en vemen, 1437 kantoren, 13 bankgebouwen, 19 consulaten, 69 schoolgebouwen, 13 ziekenhuisinrichtingen, 24 kerkgebouwen, 10 inrichtingen van liefdadigheid, 25 gemeentelijke- en rijksgebouwen, 4 stationsgebouwen, 4 dagbladbedrijven, 2 musea, 517 cafés en restaurants, 22 feestgebouwen, 12 bioscopen, 2 schouwburgen en 184 overige bedrijfsruimten (bron: gemeente Rotterdam).
En daarmee dus tevens de openbare ruimte in het door de eeuwen heen ontstane weefsel van de stad. De onteigening vervolgde wat met het bombardement en de erop volgende plunderingen en afbraak, begonnen was. Rekende af met het oude Rotterdam. En passant ook met haar bewoners.

 

 

 

Mei 1940-28 mei 1946: Wat te doen met de leegte?
Ook de volgende jaren jaren laat Ringers zijn invloed op Rotterdam gelden. Vaak tot ergernis van andersgezinden zoals burgemeester Oud die het stadherstel meer als zaak van Rotterdammers zien.
Direct na het bombardement geeft het gemeentebestuur van Rotterdam zelf al aan het hoofd technische dienst ingenieur Willem Witteveen de opdracht in hoofdlijnen nieuwe plannen voor de binnenstad te maken. Door de onteigening van 24 mei hoeft Witteveen ook geen rekening te houden met de historische stad. Hij doet dat aanvankelijk wel. Ringers liet zich in de nieuwe plannen stevig gelden, de onteigening diende het doel van een stad die in ieder geval anders moest zijn dan het oude Rotterdam.
Het Rijk zou ook een groot deel van de herstelkosten op zich nemen. Ringers had er als waterbouwer en bureaucraat weinig idee van hoe dat andere Rotterdam eruit kon zien. Stadingenieur Witteveen had dat wel. Hij was sinds 1924 in dienst bij de Gemeente Rotterdam, had in 1931 de dienst stadsontwikkeling opgezet en kende de stad van haver tot gort.
Al na enkele weken kon hij de hoofdlijnen van een plan voor een nieuw stadcentrum voorleggen. Hij handhaafde de vorm van de oude stadsdriehoek, maar reduceerde het aantal woningen in de binnenstad tot tienduizend. Als je dat omrekent naar de circa 84000 binnenstadsbewoners van april 1940, kom je bij eenzelfde dichtheid toch nog op een respectabele 35000 inwoners. Zo’n 5000 meer dan anno 2015.

Begin 1941 bogen Adolf Hitler en architect Albert Speer zich over het plan. Het ontbrak volgens hen aan monumentaliteit. Tegelijk hadden Rotterdamse architecten als Van der Broek en Van Tijen kritiek op de plannen van Witteveen omdat ze te weinig ruimte kregen voor hun eigen ontwerpideeën. De kritiek ook van andere architecten als Kraaijvanger en Maaskant hield aan.
Naarmate de oorlog voortschreed slokte de Duitse oorlogsindustrie steeds meer middelen op en lag het bouwen stil. Rotterdamse industriëlen als Van Nelle directeur Cees van der Leeuw en Hans Backx van Thomson’s havenbedrijf die elkaar ontmoetten in de ‘Kleine Kring’ bemoeiden zich met het plan.
Cees van der Leeuw had eerder naam gemaakt als de perfecte opdrachtgever van het architectenduo Brinkman en Van der Vlugt voor de nieuwe Van Nellefabriek . Hij was behalve Van Nelle erfgenaam ook psychiater. Hij en Backx probeerden op basis van wazig modernistische ideeën over stadsplanning, Witteveen te beïnvloeden. Van der Leeuw zocht ook contact met rijkscommissaris Johan Ringers. Die werd wegens voorbereidingen voor een naoorlogse regering in 1943 gevangen gezet maar bleef zijn invloed uitoefenen.
Dankzij Ringers kreeg Van der Leeuw de kans om aan alternatieven voor de plannen Witteveen te werken, alternatieven die vooral gebaseerd op de functionalistische scheiding van de basisfuncties, verkeer, wonen, werken, recreëren.

Witteveen ging in 1944 mede door de stress van de nieuwe verhoudingen bij de planontwikkeling met ziekteverlof. Van der Leeuw kreeg nu de facto de leiding van de nieuwe stadsplannen. De vroegere assistent van Witteveen, ingenieur Cornelis van Traa mocht nu psychiater Van der Leeuw en havenzakenman Backx assisteren bij hun planontwikkeling. Van Backx, die verdieping van het religieuze leven in de stad wenste, kwam het idee van het 'Venster op de Rivier'.
Aan het einde van de huidige Coolsingel in 1940 op de plaats van het huidige Churchillpleinkruispunt zou een verheffend uitzicht richting rivier komen. Saillant was dat dit Venster op de plaats kwam van de plek waar tot mei 1940 de verderfelijke kroegenstraat de Schiedamse Dijk begon. Het ’Venster’ werd een scharnier in het Plan Van Traa. Uit de samenwerking van de grootindustrielen van de Kleine Kring, een aantal bekendere Rotterdamse architecten zoals Van Tijen, Maaskant, Brinkman en Van der Broek en stadsingenieur Van Traa ontstond zo het nieuwe stadsplan dat in 1946, het jaar na de bevrijding, wordt voorgelegd aan de nieuwe naoorlogse Rotterdamse gemeenteraad.
Het basisplan is –vergeef de normatieve insteek- vooral een reductionistisch verkeersplan. Met zijn bestemming van hoofdzakelijk kantoren en winkels en volkomen veronachtzaming van publieke ruimte werpt het een zeer lange schaduw vooruit op de stad in de tweede helft van twintigste eeuw.
Het plan wordt door de gemeenteraad van Rotterdam op 28 mei 1946 aangenomen en bezegelt het einde van de binnenstad als dicht bevolkt en vitaal stadsdeel. Het luidt de halve eeuw durende voortzetting van een reeds zes jaar ontvolkte en desolate binnenstad. Een stad die door Rem Koolhaas in de jaren ’80 treffend beschreven werd als een ''collectieve windtunnelproef''.
Pas meer dan een halve eeuw na de fatale periode van ‘40-‘46 begint de stad zich te ontworstelen aan de wurggreep van bombardement, onteigening en Plan Van Traa die de publieke ruimte uitwiste.
J.A. Ringers kreeg in 1946 de Oldebarneveldtpenning van de stad Rotterdam. Het 'Venster op de Rivier' werd in 1986 dichtgemetseld met het Maritiem Museum. De haven vertrok al in de jaren ’50 naar het westen.

De Rotterdammers die in mei 1940 uit de binnenstad werden verdreven, bleven merendeels weg. Een paar ondernemers keerden terug. Een enkeling, veel woningen waren er niet, ging er wonen. De laatste twintig jaar worden in de binnenstad weer woningen gebouwd. Veel vers bloed, mensen die niet in Rotterdam zijn opgegroeid. Die niet zoals dichter Hans Sleutelaar ’t benoemt, de ruigheid hebben ingeklonken. Voor hen en voor stokouwe Rotterdammers is dit verhaal.

 

 

 

 

 

Deel dit bericht met je vrienden!

De toekomst is vandaag, de geschiedenis wordt morgen geschreven