dinsdag 7 juli 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Meeste ‘rijken’ wonen in Lansingerland

3 oktober 2011 (door de Redactie)

(Door Hans Roodenburg)

Het zal geen verrassing zijn dat in deze regio in de stad Rotterdam het minst aantal grootver-dieners woont.Van de 271.820 huishoudens in Rotterdam heeft ‘slechts’13 procent een besteed-baar inkomen van € 46.500per jaarof méér.Dat is dus vrijwel netto, inclusief fiscale aftrekposten en kinderbijslag.


De gemeente Lansingerland (Berkel en Rodenrijs, Bergschenhoek en Bleiswijk) in de regio Rotterdam telt het grootste aantal huishoudens in het bovenste inkomenssegment: 34 procent. Landelijk is dat 20 procent van het aantal huishoudens.


Deze cijfers komen uit de Feitenkaart over de inkomensgegevens in de regio van het Centrum voor Onderzoek en Statistiek in Rotterdam, gemaakt aan de hand van CBS-gegevens. Omdat niet ieder jaar deze ingewikkelde staten zijn te maken, hebben ze betrekking op 2008. Sinds die tijd zijn de gemiddelde huishoudinkomens hooguit met enkele procenten toegenomen.

Het spiegelbeeld van de hogere inkomens is natuurlijk de armoede. Tot 105 procent van het sociaal minimum (bijstand en AOW) heeft maar liefst 15 procent van de Rotterdamse huishoudens maximaal te makken inkomen en 11 procent in de rest van de regio.

Omvang huishouden

Met minimaal € 46.500 of méér aan besteedbaar inkomen hangt het natuurlijk er wel vanaf hoe groot het huishouden is. Als je daarvan met z’n vieren (een echtpaar en twee schoolgaande kinderen) moet rondkomen, is dat weliswaar alleszins redelijk maar ook niet om te zeggen wat zijn het grootverdieners.

Gaat het om zo’n standaardgezin waarbij in totaliteit circa € 3900 netto per maand binnenkomt is er natuurlijk ook wel ruimte voor een wat meer luxe levensstijl dan bij de laagste inkomensgroepen (tot een besteedbaar inkomen van € 25.100 valt 45 procent van de huishoudens in de stadsregio Rotterdam).

Wat kun je als huishouden van twee ouders en twee kinderen met die € 3900 per maand aan besteedbaar inkomen doen naast de dagelijkse uitgaven aan eten, drinken en vaste lasten die wij in totaal op € 1200 per maand schatten? Welnu, er is genoeg ruimte - ook in grotere gezinnen – om je een huurhuis van 750 tot 1000 euro te permitteren, of een koophuis met netto lasten van ongeveer hetzelfde bedrag. Een koophuis dus in de prijsklasse van 300.000 tot 400.000 euro. Zowel in de huurklasse als koopsector kun je daar best aardige optrekjes voor krijgen.

Daarnaast kan men zich een middenklasse auto permitteren (overigens niet laten financieren want dan betaalt men zich scheel) en met vakantie gaan.

Deze cijfers stellen het jaarlijkse politieke toneelspel op Prinsjesdag, dat voor een groot deel over koopkracht gaat, in een heel ander daglicht. Het leidt tot de gebruikelijke botsingen tussen enerzijds de regering (van welke snit ook) en anderzijds de oppositie (dit jaar overwegend ‘links’).

Welke pet

Bij de beoordeling van de algemene koopkracht volgend jaar hangt het er altijd maar vanaf welke pet men op heeft. Benadrukt moet echter worden dat de verwachtingen voor de koopkracht altijd gemiddelden zijn, die – hoe kan het ook anders – later behoorlijk kunnen afwijken.

Bovendien kan de uitkomst in individuele gevallen behoorlijk anders zijn. We noemen maar iets, Als volgend jaar iemand werkloos wordt, dan gaat hij minimaal er 20 procent in koopkracht op achteruit. Als daarentegen een partner een baan vindt, kan het zijn dat dit huishouden er meer dan 50 procent op vooruit gaat.

Niettemin geeft de Miljoenennota een indicatie voor de koopkracht in het algemeen. Merkwaardig genoeg is er bij dit rechtsgeoriënteerde kabinet sprake van een geringe nivellering. De hogere inkomensgroepen leveren iets méér in dan de allerlaagste (minimumloners en sociale uitkeringen).

In de zogenoemde Macro-Economische Verkenningen is aangegeven dat in 2012 (want daar praten we over!) de alleenstaande met een baan het meest achteruit kachelt: met 1,5 tot 2,25 procent. Dat is na een verwachte loonstijging van 2 procent en een inflatie van ook omstreeks 2 procent. De achteruitgang is dan ook vooral te wijten aan het effect van diverse overheidsbezuinigingen.

Even individueel uitpakkende ‘zware gevallen’ uitgezonderd kunnen we echter stellen dat het voorlopig in deze slechte economische tijden met de negatieve koopkrachtontwikkeling in het algemeen wel meevalt. De hogere inkomensgroepen moeten niet zeuren, de laagste inkomensgroepen komen goed weg.


Inleveren
Ik denk dat de ouderen met een behoorlijk aanvullend pensioen wel iets meer aan koopkracht moeten inleveren als zij geen inflatievergoeding op dat deel van hun inkomen krijgen (pensioenfondsen beslissen aan de hand van de beursresultaten daar aan het eind van het jaar over).

Bovendien is in deze cijferbrij helemaal buiten beschouwing gelaten dat de hogere inkomensgroepen vaak ook over aardige spaargelden en andere bezittingen beschikken waarop deels ook rendement wordt gemaakt. Die kunnen dus een paar stootjes de komende jaren heel goed opvangen.

Al met al zijn wij in ons land bepaald niet slechter af dan in de meeste andere Europese landen. In Griekenland zal de gemiddelde koopkrachtdaling de komende jaren misschien wel 10 tot 20 procent bedragen. Dat is andere koek! Zelfs een nieuwe bezuinigingsronde bij onze overheid vanwege de terugvallende economie zal wel iets meer koopkrachtverlies tot gevolg hebben, maar zal in het algemeen nog steeds niet rampzalig zijn.

Natuurlijk zal een aantal negativisten opmerken dat bepaalde groepen zwaar worden getroffen door de overheidsbezuinigingen. Dat is wel zo, maar bedacht moet worden dat de ‘overheidsruif’ ook gevuld wordt door ons allen, de belastingbetaler dus. Een evenwichtig beleid daarin – waarin de minima het minst erop achteruitgaan en de hogere inkomensgroepen het meest - is onontkoombaar. Als het goed met de economie gaat wordt deze ruif beter gevuld dan als het slechter gaat (zoals nu).


Deel dit bericht met je vrienden!

De toekomst is vandaag, de geschiedenis wordt morgen geschreven