woensdag 20 januari 2021

webZine over stad, cultuur
en wereld

Je stapt in Marseille over op de Dempo, die al klaar ligt voor vertrek. Foto Willem van de Poll Nationaal Archief

Het koloniale verleden van Rotterdam (recensie)

30 december 2020 (Han van der Horst)

Stel, je hebt een hoge baan bij Internatio in Batavia. Of je wordt ergens assistent-resident. En je verlof in patria zit er op. Je bent het Nederlandse klimaat in alle opzichten hartelijk beu. Het is klam en regenachtig. De mensen zijn niet geïnteresseerd in je verhalen. Of ze begrijpen er in hun bekrompenheid niets van. Als je een keertje kribbig reageert, zeggen ze dat je in Indië maar de grote toean uit moet gaan spelen. Met een zucht van verlichting neem je de passagebiljetten naar Insulinde in ontvangst.

Naar Indië

Een vliegreis met de nieuwe DC3´s van de KLM zou vijf dagen vergen maar dat is alleen voor echte magnaten weggelegd. Jij en je vrouw gaan gewoon over zee. De bagage is al eerder door de Rotterdamsche Lloyd van huis gehaald. Je posteert je met je eega en wat handbagage op het station Delftse Poort waar de Lloyd Rapide uit Den Haag binnenstoomt. Nu volgt een treinreis van twintig uur rechtstreeks naar Marseille om Parijs en Brussel heen.

De Lloyd Rapide is van alle gemakken voorzien. Er zijn ruime slaapcabines en een gerenommeerde restauratie aan boord. Je hebt nog steeds mensen die in Rotterdam al scheep gaan, bijvoorbeeld op de Dempo maar dan ben je veel en veel langer onderweg. De treinreis bekort de overtocht met meer dan een week. Je stapt in Marseille over op de Dempo, die al klaar ligt voor vertrek. Dan volgen nog drie weken, reizen, zonnen, schransen, dansen, roddelen, oude en nieuwe kennissen ontmoeten, in enkele gevallen vreemd gaan en toch ook verveling.

Je bent blij dat je voet aan wal zet in Indië waarvan je als rechtgeaard koloniaal weet dat wij het nog zeker drie eeuwen moeten beheren voor de inlanders – overigens beste luitjes als je ze goed in het oog houdt – voor die inlanders toe zijn aan zelfstandigheid.

Parel aan de kroon

De Rotterdamsche Lloyd met zijn trotse zeekastelen was een parel aan de kroon van de Maasstad waarmee alleen de Holland Amerika Lijn zich kon meten. De andere rederijen zoals van Nievelt Goudriaan, die zich op Zuid-Amerika richtte, verbleekten bij deze reuzen. De Rotterdamsche Lloyd en de familie daarachter, Ruys, zijn dan ook prominent aanwezig in ¨Het koloniale Verleden van Rotterdam¨, een vuistdikke artikelenbundel, die is geredigeerd door Prof. dr. Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal- Land en Volkenkunde (KITLV) in Leiden. Het verschijnt naast de op Rotterdam Vandaag en Morgen al besproken studie over Rotterdams slavernijverleden door prof. dr. Alex van Stipriaan. 

 Poster (uitsnede) Spoorwegmuseum

Van VOC tot zomercarnaval

Gert Oostindie is een van Nederlands belangrijkste experts op het gebied van koloniale geschiedenis. Hij was dan ook de aangewezen persoon om leiding te geven aan het grote onderzoek naar de rol van Rotterdam bij het kolonialisme, dat B en W lieten uitvoeren op instigatie van het voormalige PvdA-raadslid Peggy Wijntuin. Ook deze bundel legt daarvan getuigenis af. Oostindie haalde een aantal specialisten bij elkaar die allemaal een vaak fors hoofdstuk schreven over het deelgebied waar ze het meest van wisten. Zo ontstaat een legpuzzel van soms zeer uiteenlopende onderwerpen en wie het laatste stukje heeft geplaatst, ziet het koloniale verleden van Rotterdam gedetailleerd in beeld gebracht: van de VOC tot het zomercarnaval want dat zou er zonder de betrokkenheid van Rotterdam bij overzeese handel en plundering nooit zijn geweest. De postkoloniale geschiedenis van Rotterdam – zeg maar de laatste halve eeuw ervan – krijgt ruime aandacht.

Handel en zending

Alles bij elkaar leverden tien auteurs een bijdrage aan de bundel. Ze kozen allemaal voor een nogal institutionele benadering. Het hele boek smaakt naar bedrijfs- en organisatiegeschiedenis. Het gaat over ondernemingen, zoals de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de Nederlandsche Handel Maatschappij of de al genoemde Rotterdamsche Lloyd. Over zendingsorganisaties en zeemanshuizen. Over de gebouwen die ze neer lieten zetten. Helder wordt welke impact zij hadden op de economie van Rotterdam en van de gebieden waarin zij actief waren. Wat dat betekende voor de levens van de mensen in onze stad én overzee krijgt daardoor weinig tot geen aandacht.

Deze alinea uit een bijdrage van Gerhard de Kok is typerend voor de toon en de stijl van het hele boek: ''In de laatste decennia van de negentiende eeuw hadden er in de Rotterdamse koffiehandel belangrijke verschuivingen plaats. Door de afschaffing van de gouvernementscultuur en de liberalisering van de Indische markt liep het aandeel NHM-koffie sterk terug. Anderzijds namen vooral Duitse commissiehuizen het voortouw bij de invoer van een nieuwe koffievariant uit Brazilië, de Santoskoffie. Vanaf 1890 werd dit product belangrijker dan de aanvoer van Javakoffie. Het grootste deel van de koffie die in Nederland werd ingevoerd en doorgevoerd kwam nog steeds aan in Rotterdam maar niet langer ging het om koloniale koffie¨.

Verering van de Gouden Eeuw

Krijg hieruit niet de indruk dat Gert Oostindie in zijn keuze van medewerkers de nadruk wilde leggen op economische geschiedenis. Meer dan de helft van het boek gaat over heel andere onderwerpen. Zo somt Pauline van Roosmalen de architectuur op die nog herinnert aan de koloniale tijd. Voor zover zulke gebouwen – denk aan het Oost Indisch Huis op de Boompjes – in de binnenstad stonden, hebben zij het bombardement niet overleefd, maar er blijkt veel meer te zijn. Al waren het maar de straatnamen: tussen pakweg 1870 en 1940 trokken de Nederlandse elites zich nogal op aan de gouden eeuw. Dat leidde tot zeeheldenbuurten – ook in Rotterdam uiteraard. De Boerenoorlog ging met een hysterische verering van de bloedverwanten in Zuid-Afrika gepaard, wat in veel steden leidde tot het ontstaan van een Transvaalbuurt. Het is de ironie van de geschiedenis dat een van Rotterdams meest multiculturele markten nu gehouden wordt op het Afrikaanderplein. Van Roosmalen probeert elke straatsteen boven te halen. Zo blijkt de Puntegaalstraat vernoemd te zijn naar een buiten dat daar ooit lag en op zijn beurt naar de door Nederlanders veroverde stad Fort Galle heette in Sri Lanka. Overigens zijn ze daar tot op heden trots op de fortificaties en bouwwerken van de VOC.

Omgekeerd staat bij de stad Makassar op het Indonesische eiland Sulawesi het fort Rotterdam nog fier overeind. In Crooswijk verwijzen de Pleret- en de Jeroekstraat naar de Indische landgoederen van de negentiende eeuwse projectontwikkelaar.


Galle op Sri Lanka waar de Puntegaalstraat zijn naam aan te danken heeft. Archiefopname

Lodewijk Pincoffs en Willem van Hogendorp

Even nauwkeurig graast Van Roosmalen de stad af op ¨koloniale¨ standbeelden, ook als ze dat op het eerste gezicht niet zijn. Lodewijk Pincoffs komt op haar lijst omdat hij leiding gaf aan de Afrikaansche Handelsvereniging, Gerard Karel van Hogendorp ook omdat hij brochures schreef over de VOC en koloniale handel. Dat had zeker te maken met het feit dat zijn broer Willem een loopbaan bij de VOC achter de rug had. Deze Willem deed daar een principiële afkeer van de slavernij op, die hij zichtbaar maakte in zijn tragedie Kraspoekol. Het werd een schandaalpremière omdat oud-Indischgasten de voorstelling verstoorden. Zij vermeldt dan weer niet dat dezelfde Willem door een tijdige vlucht naar Brazilië wist te voorkomen dat hij als eerste in de geschiedenis voor het gerecht zou worden geplaatst voor vergrijpen die wij in onze tijd ¨oorlogsmisdaden¨ zouden noemen. Dat kwam door zijn gedrag als generaal in het leger van Napoleon tijdens een bezetting van Hamburg.

Koos Speenhoff

Zelfs Koos Speenhoff staat op van Roosmalens lijst omdat hij een succesvolle tournee door Nederlandsch Indië maakte (in een Buick met chauffeur). Hij componeerde er niet direct antikoloniale liedjes. Van Roosmalen behandelt de inhoud niet maar het internet weet alles. Dit is de tekst van ¨Een baboe die je niet vergeet¨ Voor het goed begrip: een Sinkee of singkeh is een blanke opzichter die vers uit Nederland net op een Sumatraanse plantage begonnen is in de rubber of in de tabak. Voor de goede orde. Het is niet ¨de¨ maar ¨het¨ singkeh¨ Zulke jonge medewerkers mochten van de maatschappij niet trouwen maar er waren wel inlandse, Japanse of Chinese meisjes verkrijgbaar. Dat ¨verkrijgbaar¨ moet U zo letterlijk mogelijk nemen.

Hij leefde als een groene sinkee
Een paar uur ver in de kebon
Hij zocht naar een kokki voor zijn makkan
Zo een die lekker piepen kon
Hij kwam haar tegen in de kampong
Met haar oranje slendang aan
Hij vroeg haar: djalan sama sama
En zij zei zacht: saja toean.

Refrein:
Dat is een baboe die men niet vergeet
Zo een die naast je op het matje eet.

Wanneer hij thuis kwam uit de tuinen
Van al die koelie soesah moe
Dan kwam ze met een paitje dingin
Of met een splitje naar hem toe.
Dan werd hij zacht door haar gemandied
Dan stond zijn nassi-goreng klaar
Dan ging ze innig naast hem zitten
En streelde hij haar koele haar.

Refrein

Er kwam een chocolade-baby
Waar hij wantrouwerig naar keek
Het was een anak perampoean
Die slechts van achter op hem leek
Eens schreef zijn meisje uit Den Bommel:
Zeg Jan ben jij mij heus wel trouw?
Dan keek hij lachend naar Sarina
En riep de baby: tida maoe

Speenhoff doorbrak met dit liedje in zoverre een taboe dat hij durfde te zingen over een algemeen voorkomend verschijnsel waar niettemin geen mens in net gezelschap over sprak. Sarina zou zich zeker discreet in het achterhuis terugtrekken als toean bezoek kreeg.

Indonesische vrouw met wasbord 1947. Fotograaf onbekend, Nationaal Archief

Elie van Rijckevorsel

Wie naar architectuur zoekt met een koloniaal verleden, kan uiteraard in het Scheepvaartkwartier uitvoerig terecht. Daar is ook het Wereldmuseum te vinden dat is gebaseerd op door Rotterdammers uit warme landen meegebrachte kunstschatten en curiositeiten. De belangrijkste bijdrage leverde misschien wel de excentrieke Rotterdamse aristocraat Elie van Rijckevorsel, een van de meest onversneden reactionairen die de stad ooit heeft gekend. Maar hij reisde ook de wereld rond om het aardmagnetisme te onderzoeken en bracht van die reizen heel wat mee, zij het niet het indiaanse meisje dat hij in het Amazonegebied cadeau kreeg. Hij schreef wel over haar, in zijn bij vlagen hilarische boek over zijn expedities in Brazilië, dat door Van Roosmalen terecht aan hedendaagse lezers wordt aanbevolen. Wie het land van nu kent, zal merken dat veel dingen er onveranderd zijn gebleven.

Ook hier komt een gebouw al snel op de lijst. Zo zien wij de voormalige ABN/AMRO op de Coolsingel waar nu boekhandel Donner huist. Het is in opdracht gegeven door de Rotterdamsche Bankvereeniging, die in de negentiende eeuw al was opgericht, vooral met het oog op de koloniale handel.

Koloniale tentoonstellingen 

Alexandra van Dongen en Liliane van der Linden zetten de Rotterdamse verzamelaars en hun collecties centraal. Daarbij gaat het niet alleen om voorwerpen en kunst van buiten Europa maar ook over door het kolonialisme beïnvloed werk van Europese kunstenaars. Ze besteden daarnaast aandacht aan koloniale tentoonstellingen waar de zeer talrijke bezoekers zich konden vergapen aan hen die leven in de tropen met hun primitieve gewoontes, hun bizarre rituelen en hun koene blanke pioniers die ver van huis en haard (had je daar niet nodig trouwens) de beschaving brachten en soms het christelijk geloof. Van Dongen en van der Linden hebben het daarbij consequent over ¨vertoningen¨ kennelijk om daarmee afstand te nemen van zulke exposities. De auteurs gaan diep in op de criteria van verzamelaars en curatoren. Ze laten zien hoe die zich in de loop der tijd ontwikkelden. Daarbij richtten zij de blik steeds exclusiever op het Wereldmuseum en de worsteling van deze instelling met het koloniale verleden. Niet voor niets is de laatste afbeelding in hun hoofdstuk een groepsportret van de krachtvrouwen in het Oude Westen, stuk voor stuk donkere schoonheden en de antithese van de baboe met het koele haar uit het liedje van Speenhoff.

De multiculturalisering van Rotterdam

Esther Captein schetst tenslotte in kort bestek de multiculturalisering van Rotterdam, die begon met de komst van Chinezen aan het begin van de vorige eeuw en er toe heeft geleid dat er nu in onze stad geen etnische meerderheid meer bestaat. Het boek eindigt lichtvoetig: Francio Guadeloupe, Paul van de Laar en Liliane van der Linden besteden in hun slothoofdstuk over onze eeuw veel aandacht aan het zomercarnaval en de kapsalon.

Ongelijk speelveld

Je slaat het boek dicht, de puzzel is compleet en wat dan? Het was een rijke bundel. Zonder meer. Je hebt een aantal studies gelezen waaruit blijkt dat Rotterdam met zijn koloniale connecties behoorlijk is opgeschoten. Langs de Maas staan de winnaars. En we weten, zoals ze het tegenwoordig formuleren, dat de zege niet op een gelijk speelveld behaald werd. We denken misschien met spijt en enige wroeging terug op excessen uit het verleden. Best wel. Maar aan de Waterweg bij Hoek van Holland zitten we te kijken naar de binnenkomende vrachtschepen met de containers hoog op het dek geladen. De inhoud daarvan komen we straks bij de Action weer tegen. Wie heeft al die dingen gemaakt? Onder welke omstandigheden? Hoeveel bedraagt het uurloon?

Gert Oostindie (red.), 'Het Koloniale Verleden van Rotterdam.' Amsterdam 2020. Boom – Amsterdam. ISBN 9789024432257 NUR 680

Zie ook:

Deel dit bericht met je vrienden!