woensdag 26 januari 2022

webMagazine over stad, cultuur
en wereld

Het mooie kerstsprookje van de ss Rotterdam

19 december 2008 (de Redactie)
Er was eens een heel mooi passagiersschip dat in 1959 bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij is gebouwd voor de Holland-Amerika Lijn. Dat schip, de ss Rotterdam, moet bijna 50 jaar later, na een grote renovatie dienst gaan doen aan het Derde Katendrechtsehoofd als een cultuurmonument mét een puur economisch doel.

Als het schip komende zomer klaar is voor hotelaccommodatie, congrescentrum en opleidingsschool voor mbo’ers zal er ongeveer 200 miljoen euro in zijn geïnvesteerd. En over die kosten gaat dit sprookje.


Zeven jaar terug werd de ‘Stichting behoud stoomschip Rotterdam’ opgericht. In 2003 werd de voor de sloop bestemde Rotterdam gered door de RDM met een aankoopbedrag van 6 miljoen euro. Dat kon dankzij een gunstige lening van de later omstreden directeur Willem Scholten van het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam aan zijn ondernemingsvriend en eigenaar van de RDM, Joep van den Nieuwenhuyzen.
Hierin ligt ook de kiem van het grote misverstand – in pers en politiek – dat de kosten voor de ss Rotterdam tot grote verontwaardiging van velen zijn opgelopen tot omstreeks 200 miljoen euro als het schip volgend jaar klaar is.

De Raad voor Cultuur

Na inspectie van het schip door deskundigen was in 2003 namelijk al heel snel duidelijk dat renovatie en herstel heel veel geld zouden vergen. Later bleken die kosten onvoorzien op te lopen, mede door de niet in te schatten hoeveelheid asbest dat moest worden verwijderd (had overigens ook heel duur bij de sloop moeten gebeuren tenzij men dat ergens op een strand in Bangladesh had laten doen…)
Maar de kogel was in feite al in 2003 door de kerk. De Raad voor Cultuur adviseerde de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen positief over het cultuur-historische belang van de Rotterdam.
Je zou kunnen stellen dat op dát moment eigenlijk alleen aan de orde was of de Rotterdam met een paar aanpassingen als museumschip in de haven voor bezoekers moest worden gelegd zoals andere klassiekers in andere grote havens. Dat had ook gekund voor hooguit enkele tientallen miljoenen als men het asbest gewoon had laten zitten want dan kon het geen gevaar. Een koopje voor een cultuurgoed!
Maar toen kwamen van lieverlee de plannen voor een ‘economisch model’ waarbij alle kosten over een lange periode (van dertig jaar) weer zouden worden terugverdiend. De ss Rotterdam moest een combinatie worden van hotelaccommodatie (260 kamers van en vier sterren niveau), congres- en theatercentrum en een opleidingsschool voor 475 mbo-leerlingen per jaar. Aan boord worden jaarlijks 350.000 bezoekers verwacht.
Dat vergde veel meer investeringen dan eerder was voorzien. Mede door de totale conservatie van alle kunstwerken aan boord en verwijdering van alle asbest. De investeringen lopen op tot omstreeks 200 miljoen euro. Heeft men trouwens voor dat bedrag een nieuw hotel, een congrescentrum (annex theater) en een praktijkschool?

Economisch nut

De publicaties in de afgelopen maanden geven de indruk dat de kosten voor renovatie van de ss Rotterdam zomaar en plotseling uit de pan zijn gerezen. Niets is minder waar. In het boek ‘De ROTTERDAM voor altijd thuis’ van de maritieme historicus Bram Oosterwijk is al beschreven hoe de kosten voor herinrichting en renovatie in de afgelopen jaren steeds oplopen. Dat werd voortdurend geaccepteerd omdat het economisch nut bleef aantonen dat over een overigens steeds langere periode de investeringen zouden worden terugverdiend.
En net zoals andere grote investeringsprojecten als de Betuwelijn, de HSL, de verbouwing van het Rijksmuseum in Amsterdam, de Noord-Zuidlijn van de metro in Amsterdam, de Haagse Tramtunnel, enz. is er op een gegeven moment geen weg meer terug of men moet de Belgische oplossing doen (onafgebouwde miljoenenwerken).
Opvallend in deze opsomming is overigens dat dé twee Rotterdamse projecten, de Betuwelijn én de ss Rotterdam, nog steeds de economische gedachte van volledig terugverdienen hebben. Dat kan over de andere cultuur- en infrastructurele doelen niet meer worden gezegd.

Natuurlijk zijn er bij het realiseren van de plannen voor de ss Rotterdam vorm- en beoordelingsfouten gemaakt. Men kan zich afvragen of het verstandig is geweest dat de woningbouwcorporatie Woonbron zich grotendeels garant heeft gesteld voor de kosten omdat met het project met alles erop en eraan ook wijkverbetering in Katendrecht zou betekenen.
De nieuwe minister voor Wonen, Wijken en Integratie, Eberhard van der Laan, heeft daarom een externe toezichthouder bij Woonbron aangesteld. Overigens stelt dat niet zoveel voor. Deze moet beoordelen of de verdere afbouw, exploitatie, financiering en mogelijke verkoop (aan particuliere ondernemers) van de ss Rotterdam niet nog verder uit de klauw lopen.
Na alle negatieve signalen uit pers en politiek zal dat overigens niet zo gauw meer gebeuren; prioriteit nummer 1 is het voorkomen van nieuwe kostenstijgingen. Zelfs al moet men daarvoor geplande ‘mooie dingen’ nalaten of nieuwe vertragingen accepteren.

En zoals ieder sprookje ‘mooi’ moet eindigen, zal dat ook met de ss Rotterdam en de wijk Katendrecht het geval zijn. Als later zou blijken dat enkele tientallen miljoenen aan gemeenschapsgeld aan het project – cultuurgoed én economie gaan samen - zijn besteed, dan nog kunnen die uitgaven het stempel ‘zinvol’ krijgen. Heeft iemand al eens uitgerekend wat al die projecten in Amsterdam – zonder de terugverdieneis - de gemeenschap kosten?
Deel dit bericht met je vrienden!