woensdag 27 oktober 2021

webMagazine over stad, cultuur
en wereld

Col de la Bonette. Foto Ard Heuvelman

Bergen in de Tour de France: strijdtoneel en spektakel

21 augustus 2020 (Ard Heuvelman)

Wielerverslaggever Ard Heuvelman beschrijft de geschiedenis van de bergen in het parcours. Die werden al vroeg opgenomen in de wielerkoersen. Voor het tijdperk van de televisie leverde dat vooral fraaie beschrijvingen van schrijvende verslaggevers en pratende radiocorrespondenten op over renners die zich tot het uiterste uitputten om dat te doen wat telt in de sport, om te winnen. Met de intrede van Live televisie kwam daar een enorme dimensie bij, het landschap. Uit publieksonderzoek blijkt dat er nogal wat mensen zijn die vooral naar de Tour kijken vanwege het landschap. Intussen doet dat aan de roemruchte geschiedenis van bergen in de tour niets af. Te beginnen bij 1903.

Al in de eerste editie van de Tour de France in 1903 was een bergpas in het parcours opgenomen, de Col de la République (1161m) nabij Saint Etienne. Vanaf 1905 leidde de route door de Vogezen en werd de Ballon d’Alsace (1176m) bedwongen. In 1905 en 1906 passeerde René Pottier deze top met voorsprong.

Sterker nog, hij lag zo ver voor dat hij onderweg rustig even een wijntje kon gaan drinken. Ooggetuigen beweren dat het zelfs een hele fles betrof. Hij was de eerste grote klimmer in het rondewerk, maar zijn heerschappij duurde niet lang. In januari 1907 werd hij gevonden in een schuur. Zijn vriendin had hem verlaten en hij had zich verhangen. 

Verslaggever loopt vast 

In datzelfde jaar gingen de renners voor het eerst door het Chartreusemassief met de Col de Porte (1326m), waar Emile Georget als eerste bovenkwam. De Pyreneeën- en Alpencols, waar toen nauwelijks begaanbare wegen over liepen, vormden een ultieme uitdaging. In 1910 werden de Pyreneeën voor de eerste maal aangedaan, niet zonder verkenning vooraf. Er liepen wel wegen door deze bergen om plaatsen met thermale baden met elkaar te verbinden, maar hoe waren die wegen er aan toe?  L’Auto-medewerker Alphonse Steinès stapte in de trein naar het zuiden en werd vervolgens per auto de Col du Tourmalet opgereden. Op een gegeven ogenblik stokte de doorgang vanwege de dichtgesneeuwde weg. Steinès ging te voet verder, de chauffeur instruerend om hem aan de andere kant van de pas in Barèges op te wachten.

Toen Steinès daar niet kwam opdagen werd de politie ingeschakeld om hem op te sporen. Uiteindelijk vond men Alphonse, kletsnat en bedekt met modder. Hij had zich een weg door de sneeuw op de pas gebaand. Uitgeput telegrafeerde hij naar Parijs, dat de wegen in de Pyreneeën zeer goed begaanbaar waren. En zodoende dienden de renners in de etappe Luchon-Bayonne (326km), die sindsdien legendarisch is geworden, vier Pyreneeëntoppen te beklimmen: de Peyresourde (1569m), de Aspin (1490m), de Tourmalet (2115m), en de Aubisque (1710m).

Criminelen

De eerste rit werd gewonnen door Octave Lapize, bijgenaamd ‘le frisé’ (de krullenbol), maar makkelijk was het niet gegaan, want Octave zag zich genoodzaakt bergopwaarts grote stukken te voet af te leggen. Volgens de aanwezige journalist Victor Breyer had hij geroepen: ‘Jullie zijn criminelen! Hebt u dat gehoord? Zeg dat namens mij tegen Desgrange’. Precies wat de mensen lezen wilden. Dus de berijdbare Alpenpassen konden er ook nog wel bij. Een jaar later volgden de Galibier (2645m) en de Allos (2250m) in de Alpen. De Tourmalet in de Pyreneeën en de Galibier in de Alpen behoren tot de meest beklommen bergen in de Tour de France. De Tourmalet tweeëntachtig maal en de Galibier zevenenvijftig maal.

Het monument voor Henri Desgrange op de Col du Galibier. Foto Ard Heuvelman

Beide toppen zijn voorzien van monumenten van vroegere Tourbazen, de Tourmalet is getooid met een standbeeld van Victor Goddet en de Galibier kent een groot monument voor de eerste Tourchef Henri Desgrange. In 1922 werden de Izoard (2360m) en de Vars (2108m) aan het Alpentraject toegevoegd. De zwaarste bergrit vond echter in de Pyreneeën plaats. In 1926 werd de befaamde etappe Bayonne-Luchon geteisterd door bijzonder slecht weer. Lucien Buysse is de ritwinnaar en ook de latere Tourwinnaar, maar slechts een handvol renners weet de finish in Luchon nog bij daglicht te bereiken. Volgens de overlevering zijn de meeste overige renners ’s nachts uit hun schuilplaatsen in de bergen met auto’s en bussen opgehaald. Het duurde nog tot 1933 eer het bergklassement in de Tour werd ingevoerd. Eerste winnaar was de Spanjaard  Vicente Trueba Pérez, een typische klimmer van slechts 1 meter 54 lang en amper 50 kilo licht. Zijn bijnaam was dan ook ’de vlo van Torrelavega’. Hij kreeg nog geen ‘bolletjestrui’, die werd pas in 1975 ingevoerd. Hoger dan de Galibier was er niet tot in 1938 Felicien Vervaecke als eerste over de top van de Col de l’Iseran (2770m) reed.

Nieuwe bergen, nieuw spektakel

Na de Tweede Wereldoorlog gingen de bergen een steeds grotere rol spelen in de Tour en in de andere grote wielerronden. Dat had diverse oorzaken. Door de heropbouw na de oorlog verbeterde de infrastructuur. De wegen werden beter, ook in het hooggebergte. De mensen kregen meer te besteden en werden daardoor ook mobieler. Het toerisme nam een grote vlucht waardoor de wintersportplaatsen goede zaken gingen doen. De organisatoren voerden bovendien het spektakelgehalte van hun wedstrijden op, onder invloed van een toenemende mediabelangstelling van radio en later televisie. De hoge bergpassen werden van lieverlee in de parcoursen van de grote rondes ingepast. Zo geschiedde in Frankrijk met de magische Mont Ventoux.

Ventoux en de wintersport

De weg naar de top was al in 1882 verhard, maar aanvankelijk hadden daar alleen autoraces op plaats gevonden. Het was de in Athene geboren Lucien Lazaridès, die in 1951 als eerste Tourrenner op de Ventoux bovenkwam. Het jaar daarop werden twee nieuwe toppen geïntroduceerd, waarvan er een befaamd is geworden en de andere nagenoeg vergeten. De beroemd geworden col is het wintersportoord Alpe d’Huez, alwaar de hoteliers de koppen bij elkaar hadden gestoken om de Tour in huis te halen. De 21 bochten tellende weg naar de top was namelijk verhard en verbreed om de toeristen in huis te halen en een Touraankomst zou een prachtige reclame voor de plek zijn. In 1952 kwam Fausto Coppi hier als eerste boven. Het was de eerste aankomst bergop in een Touretappe maar het duurde daarna 24 jaar voor de daarop volgende aankomst boven plaatsvond, met Joop Zoetemelk als eerste van een reeks Nederlandse winnaars. Coppi bereikte in 1952 ook als eerste de top van de Puy de Dôme (1415m), een oude vulkaan in het Centraal Massief nabij Clermont-Ferrand.

De Vuistslag

Deze top zou jarenlang voor legendarische momenten zorgen, zoals de strijd tussen Anquetil en Poulidor in 1964 en de vuistslag die Eddy Merckx daar in 1975 van een dwaze Franse supporter kreeg toegediend. Tegenwoordig worden bergwegen speciaal voor de Tour geasfalteerd. De weg die om de Puy de Dôme omhoog kringelt is echter veranderd in een tandradbaan en de Tour is hier sinds 1988 afwezig.

De adelaar van Toledo

In 1962 werd nog een hoge doorgaande bergpas in de route opgenomen. De Col de la Bonette (2802m) in de Alpen, waar toen een lemen weg overheen liep, werd het eerst bedwongen door Federico Bahamontes,de adelaar van Toledo, een van de grootste klimmers aller tijden. Er loopt zelfs nog een weggetje in een lus over een hogere top, de Cime de la Bonette (2860m). Heden ten dage is de gehele weg geasfalteerd en is de Tour vier maal gepasseerd. In Frankrijk kan men niet hoger meer gaan.

De zoektocht van de organisatie richt zich nu op steilere hellingen. De Alpe d’Huez lijkt heel steil, maar is kinderspel vergeleken met enkele beklimmingen uit de Ronde van Italië, zoals de Mortirolopas, en die van Spanje, zoals de beruchte Angliru.

TV-spektakel

Het televisietijdperk heeft er voor gezorgd dat in sportwedstrijden het spektakel een steeds grotere rol is gaan spelen, want aantrekkelijker voor de kijker en dus goed voor de kijkcijfers. Op zaterdag 29 augustus start het spektakel van de Tour de France. Vooral de bergritten zorgen voor heerlijke televisie, niet in het minst door de indrukwekkende natuur. 

De komende Tour belooft spektakel te bieden met al in de eerste week aankomsten bergop. In de Pyreneeën is er een finish op Orcières-Merlette, en in de Cevennen op de van Tim Krabbé ’s De Renner bekende Mont Aigoual. Voorts komen wat oude bekenden voorbij zoals de Peyresourde en de Col de Porte. In de laatste week is een spectaculaire nieuwe klim ingepland, de 21 en een halve kilometer lange en soms zeer steile Col de la Loze bij Méribel in de Alpen. Bovendien is er een klimtijdrit in de Vogezen naar la Planche des Belles Filles.

We gaan er voor zitten!

Zie ook:

Lees meer over:

Sport wielrennen TV
Deel dit bericht met je vrienden!