zondag 27 september 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Foerier bij de B-Batterij

28 januari 2011 (door de redactie)

Nog een paar generaties van voor en na de babyboomers en er zullen op verjaardagen nog maar weinig (sterke) verhalen worden verteld over de militaire dienst.

In mijn omgeving weigerden in de jaren zestig nog al wat linkse jongemannen dienst of probeerden er zo snel mogelijk uit te komen. Mijn grootvader had als overtuigd sociaal- democratische vakbondsbestuurder tot vrijwel eind jaren dertig met een gebroken geweertje op de revers gelopen, maar hij vertelde me dat hij steeds meer begon te twijfelen.

Dat had natuurlijk alles te maken met de opkomst van de nazi’s in Duitsland. Van gevluchte Duitse vakbondsbestuurders hoorden ze hoe vooral socialistische en communistische vakbondsbestuurders in

kampen werden mishandeld en ook vermoord. Ze hoorden ook dat al het vermogen van de bonden door de Duitsers direct in beslag werd genomen. Dat was aanleiding voor een aantal Nederlandse vakbondsbestuurders om het grootste deel van de bondsvermogens, waaronder de stakingskassen naar Londen te brengen en een deel zelfs door te sluizen naar de VS. Zo bracht mijn grootvader als penningmeester van de roemruchte Centrale Bond van Transportarbeiders (hoofdkantoor aan de Heemraadsingel in Rotterdam) met enkele andere bestuurders contant totaal een bedrag van 1,1 miljoen gulden naar Londen. Tegen mij zei hij na de oorlog. ,,Ik had op zijn minst willen leren schieten.’’

Dus ging ik wel in dienst. Mijn lichting was 64-2. En ik werd ingedeeld bij het krijgsmachtonderdeel Artillerie. De eerste twee maanden als rekruut in Ossendrecht vond ik verschrikkelijk. De stormbaan, tijgeren, hardlopen met bepakking, zuchtend en kreunend bereikte ik meestal als laatste de finish. Dat moet zijn opgevallen want toen de vervolgstap in mijn militaire loopbaan kwam kreeg ik te horen dat ik naar de foeriers school in de Oranje Nassau kazerne in Amsterdam zou gaan. Op een bloedhete zomerdag, arriveerden we, sjouwend en zwetend, met onze plunjezakken in Amsterdam. En daar, na het zand en de modder van Ossendrecht, betraden we het paradijs. Op de binnenplaats wapperde een vrolijke Nederlandse

vlag boven een haringkar.,,So jonges, eerst een haringkie om bij te komen,” hoorden we in sappig Amsterdams accent.

‘s-Avonds gingen we stad in. Niet in uniform, wat toen nog verplicht was, maar in de aanpalende kroegen kleedden we ons om en deden wat alle jongemannen van die leeftijd deden of probeerden te doen.

Ik werd foerier van de 45e Afdeling Lichte Luchtdoelartillerie in Ede. Onderofficier en dus in de bereden sectie van de landmacht geen sergeant, maar wachtmeester. Dat was natuurlijk een luizenbaantje. De foeriers van eerdere lichtingen wijdden je graag in over manieren hoe je controles, tellingen van de onder je beheer zijnde goederen kon overleven. Zo was er in mijn kantoortje en opslagruimte op zolder een geheim paneel waarachter overgeschoten goederen waren opgeslagen. Onderbroeken, hemden, veel sokken, een paar olielampen en zelfs enkele gasmaskers. Daarmee hielp je elkaar. Maar ook een gewone soldaat die een paar sokken kwijt was en dreigde daarvoor ‘rekening man’ te bloeden.

Maar het meest spannend was wanneer een lichting als totaal ging afzwaaien, want dan werd alles geteld. Ook dan was de solidariteit groot. De scheidende foerier deed een voortelling en wij vulden uit onze eigen voorraden de tekorten aan. Ik heb wel eens gedacht wanneer de Russen hadden geweten dat de voorraden in onze afdeling Artillerie een kwart minder waren dan op papier, zij direct de aanval hadden geopend. In ieder geval werden de spullen de avond na de officiële telling weer teruggebracht. Zo rond half acht wanneer de officieren en andere onderofficieren in hun eigen mess al een flinke slok ophadden.

Bij elkaar zeker geen onaangename tijd. Een voordeel was ook dat je leerde omgaan met jongens uit Groningen of Limburg, die nog nooit buiten hun woonplaats waren geweest en de natuurlijk de toen al soms agressief gebekte Randstedelingen. Ik heb ook wel een paar keer geschoten. En een geweer uit elkaar halen lukte mij wel. Het in elkaar zetten is nooit gelukt. Maar wanneer je foerier was werd je altijd wel geholpen.

 

Deel dit bericht met je vrienden!