vrijdag 3 december 2021

webMagazine over stad, cultuur
en wereld

Eerste Wereldoorlog en Nederland (3)

7 maart 2014 (Geert-Jan Laan)

Vanaf het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 zijn vele honderdduizenden buitenlandse vluchtelingen vooral in het eerste jaar – maar ook later - naar het neutrale Nederland gevlucht.

Zoals in een boek dat in 1920 verscheen onder leiding van prof. dr.H. Brugmans in een nog verse terugblik constateert ging dat onder het motto: ,,Vluchtelingen van verschillende nationaliteiten riepen onze hulp in en nimmer werd deze geweigerd; integendeel, regering van stad en land en bevolking wedijverden in de verlening van zo veel hulp als de omstandigheden dat toelieten.”

Dat begon al met naar schatting tussen de 60 en 80.000 Duitsers die in de eerste dagen door de Belgische regering het land werden uitgezet. Zij kwamen per trein aan in Roosendaal en de meesten reisden ook per trein door naar Duitsland. Een aantal Duitsers dat nog nooit in Duitsland had gewoond bleef in ons land om de gebeurtenissen af te wachten.

Overspoeld
Maar Limburg werd gelijk overspoeld met vooral Belgische vrouwen en kinderen die de grote verwoestingen ontvluchtten die de Duitse troepen in Belgisch Limburg en de stad Luik hadden aangericht. Het waren er te veel om eten, verzorgen en kleding te geven, waarop reeds op 7 augustus 1914 – op aandrang van de krant Algemeen Handelsblad – in Amsterdam het ‘Nederlands Comité tot steun van Belgische en andere slachtoffers’ werd opgericht. Het begon met een nationale geldinzameling die in november 1914 al het bedrag van 300.000 Nederlandse guldens had opgebracht.

Op 7 oktober 1914 kwam, met de aanval op en het bombardement van Antwerpen, de grootste golf Belgische vluchtelingen naar ons land.

Er werd een overstelpende hoeveelheid kleren, linnengoed, beddengoed, speelgoed, voedingsmiddelen en lekkernijen door de bevolking ter beschikking gesteld. Dat was zo veel dat in Amsterdam een depot kon worden ingericht van waaruit tijdens de hele oorlog vluchtelingen konden worden voorzien. In alle provincies werden ook regionale stuurcomités opgericht. Aangezien de winter voor de deur stond werd ook gekeken naar huisvesting.
Op 7 oktober 1914 kwam, met de aanval op en het bombardement van Antwerpen, de grootste golf naar ons land. Ongeveer 500.000 via Noord- Brabant (vooral Roosendaal en Bergen op Zoom, op 16.500 inwoners 110.00 vluchtelingen) en 450.000 via Zeeland (Walsoorde en Terneuzen).

Terugkeer
Bijna een miljoen vluchtelingen dus. Toen de Duitsers na de val van Antwerpen en de bezetting van bijna geheel België op 1 november 1914 lieten weten dat de vluchtelingen ongestoord konden terugkeren deden de meesten dat, maar ook na die datum waren er nog 323.000 Belgische vluchtelingen in ons land.
De Nederlandse regering kwam met een subsidie van f 0,35 per volwassene en f 0,20 per kind per dag voor iedereen die bereid was vluchtelingen kost en inwoning te verstrekken. Dat kon ook worden uitgekeerd aan vluchtelingen die voor zichzelf wilden of konden zorgen.
Geleidelijk werden ze over het hele land verspreid met de nadruk op het Westen van ons land zoals 34.000 in de 122 gemeenten van Zuid- Holland en ‘slechts’ 3000 in de provincie Groningen.
Grote concentraties waren te vinden in nieuw gebouwde ‘dorpen of vluchtoorden’ bijvoorbeeld in Nunspeet op de Veluwe maar ook in Ede, Uden en Gouda. De barakken zien er redelijk comfortabel uit. Elk gezin had een hoekje voor zichzelf. Elke barak koos ook zijn eigen burgemeester.
Er waren speciale ‘washuizen’ omdat de Belgische vrouwen dat anders deden dan hun Nederlandse zusters. Maar ook een kindercrèche, keukens, scholen en bij de grotere vluchtoorden een (katholieke) kerk. Er heerste een strikte regelmaat.

Geleidelijk werden de Belgen over het hele land verspreid. Grote concentraties waren te vinden in nieuw gebouwde ‘dorpen of vluchtoorden’ bijvoorbeeld in Nunspeet op de Veluwe maar ook in Ede, Uden en Gouda.

Verplichte arbeid
De dagindeling zag er als volgt uit: 06.45 opstaan, 07.45 ontbijt, 08.30 mis, 09.00 tot 12.00 uur verplichte arbeid, 12.30 diner, 14.00 – 17.00 verplichte arbeid, 17.30 uur souper, en dan ’s winters naar bed om 21.00 uur, in de lente om 21.30 uur en ’s zomers om 22.00 uur.
Er waren natuurlijk ook criminele elementen en gedragingen. Zij werden naar het speciale kamp Veenhuizen gebracht of in een met prikkeldraad afgesloten soort gevangenis door militairen bewaakt.
Het verplichte werk was naar ieders bekwaamheid en opleiding. Vluchtelingen moesten dus zelf zorgen voor de schoonmaak en het onderhoud van kleding en schoeisel. Voor de ongeschoolde arbeiders was er veel graaf- en grondwerk. Bijvoorbeeld in Uden de ontginning van heidevelden.
In Nunspeet legden zij een nieuwe weg aan door de heide naar Epe. Dankzij een gift uit Denemarken konden geschoolde bouwvakkers nieuwe, verplaatsbare, houten woningen bouwen die na de oorlog de Belgische woningnood moesten bestrijden.
Drie Rotterdamse dames uit de betere kringen hadden een naai- en brei-inrichting in het leven geroepen. Dat was zo’n succes dat de dames het verzoek kregen de leiding te nemen om soortgelijke instituten in de rest van het land te vestigen. Het waaierde uit over het hele land.

Kleding naaien
Uiteindelijk lieten 4840 vrouwen 570 naaimachines snorren. Er werd militaire kleding en kleding voor zichzelf vervaardigd. Het project werd gesteund door de ‘Rockefeller Foundation’ of ‘The War Relief Committee’ in Rotterdam.
Er werd ook betaald. In sommige kampen kregen de geschoolde arbeiders twee gulden per week. Daarvan werd een gulden uitbetaald en een gulden bijgeschreven op een spaarbankboekje dat bij terugkeer naar België beschikbaar kwam. Ook werd betaald in waardebonnen die in de kampwinkel konden worden verzilverd.
De lagere scholen gaven les naar het Belgische model. De bedoeling was dat de kinderen na terugkeer moeiteloos op school konden doorschuiven. Wat betreft de vakscholen werden op negen locaties zo’n duizend jongens door 45 leraren opgeleid.
Met talrijke bijdragen vanuit vooral België, Frankrijk, de VS, Zweden en Denemarken gaf de Nederlandse regering zelf naar schatting 37 miljoen gulden uit aan opvang en andere voorzieningen.
Zoals de auteur van dit hoofdstuk opmerkt: ,,…is dit bedrag nooit aan de Belgen teruggevraagd.”

(Voornaamste bron: Prof. dr. Brugmans: Nederland in den Oorlogstijd. Elsevier 1920)
 

 

Deel dit bericht met je vrienden!