maandag 10 augustus 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Doping in ‘t wielrennen. De drijfveer

18 maart 2013 (door de redactie)

Wielrenners worden aan de schandpaal genageld, sportartsen staan in een kwaad daglicht, sponsors zouden een oogje hebben dichtgeknepen, journalisten hadden beter op moeten letten en de Internationale Wielerunie wordt verweten kilo’s boter op het hoofd te hebben. Aan verwijten geen gebrek in de discussie over doping in het wielrennen. Iedereen in deze schimmige hoek van de sport lijkt schuldig.
Of is daardoor juist niemand fout?

Pascal Kolkhuis Tanke, ooit student politicologie te Rotterdam, oud-renner en voormalig chef d’équipe van de WK-profselectie, vertelt hoe ook hij niet kon ontkomen aan de beslissing doping te gaan gebruiken.

 

Het bordje ‘GPM 26’ links van de weg is onverbiddelijk: vanaf de voet van de berg is het 26 kilometer fietsen naar de top van de Tourmalet, Grand Prix de Montagne. ‘Hors catégorie’ wel te verstaan, want deze legendarische beklimming valt buiten elke categorisering. Het uur van de waarheid begint, ik wil ook niet anders. Vandaag zal ik laten zien dat ik het nieuwe Nederlandse klimtalent in het hooggebergte ben!

Gespaard
De afgelopen dagen in deze Tour de l’Avenir 1985 - de kleine Ronde van Frankrijk van twee weken, waarin neo-profs kunnen laten zien wat ze waard zijn – heb ik me gespaard. Weinig werk voor de ploeg gedaan, me verstopt, ‘linkeballen’ eigenlijk; allemaal in de zekerheid dat de kritiek daarop zal verstommen als ik vandaag met de besten mee naar boven rijd.

Een pillenkokertje rammelde lichtjes in mijn achterzak.Het kokertje rammelt lichtjes in mijn rechterrugzak. Voor het allereerst in al die jaren wielrennen, heb ik vanochtend aan de soigneur gevraagd ook voor mij een kokertje klaar te maken: ,,Geen doping, gewoon pilletjes die ik in de finale kan nemen om weer fris te zijn.” Het geeft me zelfvertrouwen dat ik iets bij me heb om ‘bij te zetten’. En het zachte gerammel van de pilletjes, als ik me van het zadel verhef en aan de ‘dance des grimpeurs’ begin, klinkt me als muziek in de oren.Ik ben nog nooit zo in vorm geweest als nu. Alles is goed. De macht in de benen, het lichaamsgewicht, mijn dagelijkse herstel in de afgelopen week. Beter voorbereid kan ik niet beginnen aan deze Koninginnerit, dit uur van de waarheid. Wie direct vanaf de overgang naar de profs mee kan komen in het middengebergte van de ‘Midi Libre’ en de ‘Tour de l’Aude’, die heeft toch ook genoeg talent?

 

Nog 23 kilometer
‘GPM 23’. De Colombianen hebben zich collectief aan de kop van het peloton geposteerd en rijden in strak tempo naar boven voor hun kopman Martin Ramírez. Ik probeer naar voren te rijden om niet voortdurend gaten te hoeven dichtrijden die geloste renners laten vallen. Nu of nooit, anders mis ik de trein.
‘GPM 22’. Weer zo’n klootzak die eraf moet en een gat laat vallen! Ik krijg het niet dicht. Ik blijf hangen op 50 meter van de eerste rij Colombianen, die verrot lichte mannetjes. Mijn hartslag overschrijdt alle grenzen die ik al zo vaak dacht te hebben verlegd.
‘GPM 21’. Eraf. Ik plof in mekaar. Mijn benen spatten uit elkaar, ik hijg als een wild dier in doodsnood. Renners die ik zonet voorbij reed, komen weer bij mij langs. Over en uit, Pascal, je bent het dus níet…

Pascal Kolkhuis Tanke in 1985. Foto ScalaEenentwintig kilometer lang schoten daarna herinneringen uit de afgelopen drie jaar door me heen. Waarom konden sommige renners op de belangrijkste koersdagen opeens zoveel sterker zijn dan ik?

 

De verbazing
Ik had hem afgeschreven als kanshebber voor het Nederlandse kampioenschap, want twee weken terug werd hij er in elke beklimming afgereden, dag na dag. Vanochtend bij de start keek ik hem aan en leek hij me niet te zien. Zijn gelaatskleur was eerder lichtgroen dan zongebruind zoals het renners betaamt. En nu? Nu trekt hij stralend het rood-wit-blauwe tricot aan. Heeft hij alles omvergereden. Zelf ben ik intens uitgeput niet verder gekomen dan een plek in de middenmoot.
Waarom gaat mijn kamergenoot zo vaak naar de badkamer en doet hij de deur op slot? Hij is niet ziek. Langdurig douchen of in bad zitten doet hij niet, iedereen weet dat je daar slome spieren van krijgt. Morgen is zíjn wedstrijd, hij heeft er maandenlang naartoe geleefd, daar heeft het mee van doen. Ik wil het verder niet weten, ik rijd mijn eigen koers.

Het ongeloof
Ik was gewaarschuwd. Zelfs met de nationale amateurselectie deelnemen aan grote internationale wedstrijden als de Vredeskoers – destijds min of meer de Tour van het Oostblok – zou verbleken bij meedoen aan de eerste de beste profkoers. Ik moet de doemdenkers gelijk geven. Tot aan de finale van deze ‘open’ Grand Prix d’Isbergues (open voor enkele amateurploegen) was ik verrast door het ontspannen tempo van het profpeloton, maar wat zich vervolgens afspeelde op de enige klim van de dag - van welgeteld nog geen twee kilometer – was onvoorstelbaar. Een bom die tot ontploffing werd gebracht, puur dynamiet. Alle amateurs afgeschoten, eraf gefladderd, ontredderd naar de finish peddelend.

Niet mijn wereld
Een redelijk profdebuut in Franse rittenkoersen en een bevredigend Nederlands Kampioenschap hadden de doemdenkers niet belet om mij opnieuw te waarschuwen. ,,Wacht maar tot je een Belgische kermiskoers gaat meemaken!” En opnieuw moest ik ze gelijk geven. Het startschot in Nokere was het sein voor een pak illustere Vlaamse kermiscoureurs om zo waanzinnig hard 'van acquit' te gaan dat na een uur nog slechts een kwart van de renners in koers was. De rest stond snel onder de douche. Waaronder ik. ,,Waar rijdt u morgen?” vroeg een mij onbekende Vlaming. Deze categorie broodrenners leeft bij de dag, morgen weer ergens een andere kermiskoers. Dopingcontroles zijn bij deze wedstrijden een farce.

Tourmalet. Foto: bkpunt.nl

Terug naar ‘de l’Avenir 1985’
Na 21 confronterende kilometers, doorspekt van herinneringen aan ongeloof en onmacht, bereikte ik de top van de Tourmalet; in gezelschap van Mathieu Hermans, een bevriend renner (die in 1988 liefst 6 etappes won in de Ronde van Spanje).
‘SOMMET GPM 0’. Wat een top had moeten zijn, is een diep dal geworden. Op bijna twintig minuten achterstand van de koplopers ben ik een illusie armer, een droom is in gruzelementen gevallen. Het kokertje rammelt nog, de inhoud ervan had vandaag geen zin. Ik laat me de afdaling invallen, op weg naar Lourdes.
Natuurlijk hoopte ik dat de Koninginnerit van deze Tour de l’Avenir een ‘off day’ voor me was geweest en dat ik de dagen daarna alles zou rechtzetten. En natuurlijk was dat niet het geval. Ik kwam in de bergen elke dag in ‘de bus’ binnen – de grote groep die geen moeite heeft om binnen de tijdslimiet te arriveren – en in de laatste tijdrit ging ik (volstrekt nutteloos) tot het uiterste om slechts in de achterste regionen te eindigen.
In het eindklassement sloot ik de ronde af op een 51e plek, zonder aansprekende uitslagen in etappes. Erik Breukink 47e, Miguel Indurain 50e, Bjarne Riis 62e: er bestaan wel namen waar je je meer voor kunt schamen in je directe omgeving.

Rust
Ze zeggen dat je na een grote etappekoers en een weekje rust, in topvorm bent. Ik voel daar in ieder geval nog helemaal niets van. Van de trap oplopen word ik al moe en ik zou liever in bad liggen dan onder de douche staan. Dagenlang blijven liggen in warm water.
,,Sorry, ik wist niet dat jij onder de douche stond,” mijn moeder komt onverwachts de badkamer in.
,,Oh, jeh, wat zie jij eruit! Je hebt geen grammetje vet meer op je lijf, ik zie alleen maar botten!” ze kijkt geschrokken.
Ik draai me naar de spiegel en zie een uitgewoond lijf en een gepijnigd gezicht met holle ogen. Niets, helemaal niets duidt op een gezonde sportman.
Dit had geen zin, de conclusie drong zich geleidelijk - maar wel snel - aan me op. Ik had me jaren voorgehouden dat naturel rijden mogelijk was en dat dit ook tot resultaten kon leiden. Mijn weerstand tegen een injectie had ik uiteindelijk opgegeven, maar verder dan vitaminesupplementen was het nooit gegaan. Dat was genoeg geweest bij de amateurs, in ieder geval genoeg om voldoende beloond te kunnen worden voor alle afzien. Maar dat was het voor mij niet meer bij de beroepsrenners. Ik voelde me voor spek en bonen meerijden en erger: ik had het gevoel dat door naturel te rijden mijn lichaam zo weinig herstel kende, dat ik steeds ongezonder werd. Een paar van zulke jaren en mijn lijf zou gesloopt zijn. De renners die wel gebruikten, pakten die niet alleen de prijzen, maar waren die er fysiek niet ook nog eens beter aan toe?

Sportarts
Ik raapte alle moed bij elkaar voor een gesprek met mijn sportarts, die me al vijf jaar medisch begeleidde. Eigenlijk was hij de laatste bij wie ik nu moest zijn, want hij was een zuivere, verantwoorde medicus. Maar kennelijk vond ik het dopingpad nog te glibberig om het te betreden zonder vertrouwensman.
,,Ik voel me versleten, na twee weken Tour de l’Avenir. Eigenlijk wil ik dit niet meer. Ik wil wel afzien, dat is zo’n beetje mijn belangrijkste talent, maar volgend jaar móet ik in etappekoersen sneller herstellen. Díe wedstrijden zijn mijn terrein. Kunt u de komende winter eens nadenken over herstelmiddelen die ik kan nemen zonder positief te zijn bij de dopingcontrole? Ik bedoel: het mag wel doping zijn, zolang ik maar door de controle kan.”
,,Ik zal kijken hoe we je herstelvermogen kunnen verhogen,” hij kijkt me indringend en ook niets belovend aan.

Pascal Koklheis Tanke in 1985. Foto: GazelleTerwijl ik mijn jas aandoe en naar de deur loop, omdraaiend: ,,En als u dan toch uw gedachten de vrije loop laat, ik zou heel graag één keer een dag héél goed willen zijn. In Luik-Bastenaken-Luik, zo’n beetje mijn thuiswedstrijd en ook een koers die me moet liggen.”

 

Drempel genomen
Op 26 september 1985, ruim drie maanden na de uitgifte van mijn proflicentie, had ik definitief de drempel van de doping genomen! Ik ging mij scharen onder de echte beroepsrenners, zij die om de prijzen strijden en die daar alles voor over hebben, ook hun gezondheid. Niemand had daarvoor enige druk op mij uitgeoefend, die beslissing had ik helemaal zelf genomen, omdat ik wielrenner wilde zijn en blijven; en liefst een steeds betere worden.

Het is er uiteindelijk niet van gekomen. Ik heb nooit doping gebruikt. Daags nadat ik 'de stap had gezet' fuseerden de wielerploegen ‘Skala’ (waar ik voor reed) en ‘Skil’, waardoor een surplus aan renners en begeleiding ontstond. Iedereen die nog niet voor volgend jaar had getekend werd buitengezet en iedereen die weg wilde (zoals Erik Breukink) mocht vertrekken. Mijn vader had altijd bedongen dat in mijn contract de clausule zou staan dat ik niet verplicht kon worden te koersen als dit onverenigbaar was met mijn studie politicologie, waardoor mijn contract afwijkend was, nog niet klaar en daardoor nog niet getekend. Ik kon mijn spullen pakken.

Op 5 oktober 1985 reed ik mijn laatste wedstrijdkilometers, in een onbetekenende koers in Vlaanderen. Het deed er allemaal niet meer toe. De herfst van mijn wielercarrière was snel ingevallen.
Het heeft daarna erg lang geduurd voordat ik niet meer geloofde dat daarmee ook het mooiste deel van mijn gehele leven al voorbij was. De monomane gedrevenheid van de wielrenner is geweldig! En tegelijkertijd heel gevaarlijk.

Wilt u na lezing van dit verhaal meer weten over Pascal Kolkhuis Tanke?
 

 

Deel dit bericht met je vrienden!

De toekomst is vandaag, de geschiedenis wordt morgen geschreven