donderdag 23 september 2021

weekZine over stad, cultuur
en wereld

De Haas m'n eerste Rotterdammer (1)

25 januari 2015 (Manuel Kneepkens)

 

Mijn eerste Rotterdammer was de kunstenaar Aad de Haas *), die ik ontmoette, toen ik middelbaar scholier was. Aad de Haas had, ondanks zijn jarenlang verblijf in Limburg, zijn onvervalste Rotterdamse tongval weten te behouden. Het voor Rotterdammers na bijna elke zin zo karakteristieke ‘niet dan?’ heb ik bij hem voor het eerst mogen horen.


Hij woonde in de nabijheid van het dorp waar ik mijn jeugd doorbracht, onder de rook van de staatsmijn Wilhelmina, het ‘kolendorp’ Terwinselen en wel op het kasteel Strijthagen d.w.z. het voornaamste bijgebouw daarvan.

 

Aad de Haas woonde bij het ‘kolendorp’ Terwinselen op het kasteel Strijthagen d.w.z. het voornaamste bijgebouw daarvan.Want het kasteel zelf verkeerde in vervallen staat. Dat kwam omdat door de mijnbouw de grond grondig was verzakt. De muren zaten er vol scheuren. Alle huizen in Terwinselen vertoonden trouwens scheuren. Als ik nu op tv de huizen van Oost-Groningen zie, geteisterd door de gaswinning bij Slochteren, moet ik steevast aan het dorp van mijn jeugd denken. Maar er werd toentertijd niet over ‘gezeurd’.
De mijn was werkgelegenheid. De mijn was heilig! Het is nu bijna niet meer voor te stellen hoe gezagsgetrouw aan kerk, staat en staatsmijn toentertijd de Limburgse mijnwerker was.

Schooltijd
Vorige maand moest ik wel heel specifiek denken aan Aad de Haas, want toen werd ik sterk aan mijn middelbare schooltijd herinnerd. Die speelde zich immers af in een gebouw in Heerlen met muurschilderingen van zijn hand. Die kunstuitingen zag ik dus zes jaar lang zowat iedere dag.
Want… ik werd benaderd door leerlingen van een eerbiedwaardig gymnasium hier in Rotterdam. Die gymnasiasten hadden hun jaarlijkse ‘Klassiekendag’ op school. Die was ditmaal gewijd aan Boek VIII van de Odyssee ‘Het feestmaal bij de Faiaken’.
Daarin zingt Demodocus de blinde bard aan het hof van de Faiaken, volgens sommigen een zelfportret van Homerus, over de held Odysseus zonder te weten dat die aan tafel aanzit.
Odysseus kan zijn tranen bij de zang van Demodocus niet bedwingen. Die droogt hij af met een slip van zijn nieuw verkregen peplos (draagkleed).

Drenkeling
Een boekdeel eerder immers was hij als naakte drenkeling aangespoeld op het eiland van de Faiaken en op het strand in contact gekomen met Nausicaä, de zeventienjarige dochter van de koning en nu zat hij aan als gastvriend aan tafel bij haar vader koning Alkinoös. Na de zang van Demodocus maakt Odysseus zich bekend en vertelt over zijn avonturen op zijn moeizame terugtocht uit Troje.
De gymnasiasten hadden mij ‘gegoogeld’. Want hun opdracht was om naar aanleiding van boek VIII en Demodocus met een hedendaagse dichter spreken die… zelf vroeger op een gymnasium gezeten had! En de enige dichter met een gymnasiumopleiding die ze in heel Rotterdam hadden kunnen vinden, dat was ik…

 

Demodocus de blinde bard zingt aan het hof van de Faiaken, over de held Odysseus zonder te weten dat die aan tafel aanzit. Odysseus kan zijn tranen bij de zang van Demodocus niet bedwingen. Een van die gasten was behoorlijk openhartig: ,,Ja, meneer K., eigenlijk hadden we liever meneer Deelder geïnterviewd. Maar ja, die heeft alleen maar hbs!’’
In dat ‘alleen maar’ verraadt zich het elitaire superioriteitsgevoel van de gymnasiast. Ook in mijn tijd achtten wij gymnasiasten ons verre superieur aan hbs’ers. Dat denken was dus in al die jaren niks veranderd.

Bernardinuscollege
En inderdaad ook ik heb boek VIII vertaald, zij het dus meer dan vijftig jaar eerder want ook ik zat ooit op een gymnasium, het rk Sint Bernardinuscollege in Heerlen.
Boek VIII van de Odyssee daaraan is natuurlijk geen spat veranderd. Maar ik was wel in een héél andere tijd gymnasiast, de jaren vijftig van de vorige eeuw!
In 1954 begon immers ‘mijn carrière’ op het Bernadinuscollege aan de Akerstraat in Heerlen. In 1960 deed ik eindexamen en vertrok naar de ‘universiteit aan zee’ (Leiden) om rechten te gaan studeren.
Het Bernardinuscollege was toen nog een pure jongensschool. En van duidelijk rooms-katholieke signatuur. Allemaal voorbij nu. Het werd geleid door een mild ascetische paterssoort, de Franciscanen.
Ik zie ze nog op de speelplaats staan. In hun barre pij op sandalen en met het witte koord, dat afhing van hun middel, met de drie knopen, symboliserend armoede, gehoorzaamheid en kuisheid.

(Wordt vervolgd)

 

 

 

 

 

Deel dit bericht met je vrienden!