zondag 29 november 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

De Dichter ´vangt´ bomen in zijn woorden

27 september 2016 (door de Redactie)

Arboretum

Wie een boom kapt
Kapt ook zijn schaduw

Kale neten begrijpen dat niet.

(Door Zettie Leeuwenburgh)

Rotterdam - Net 17 jaar was hij toen hij de potloodpunten begon te slijpen in de zwarte Oranje mijnstreek rond Heerlen, in de jaren ´50 het vervuilde deel van Limburg waar voetstappen een afdruk achterlieten in het kolenstof, om de puntjes op de ´i ´ te zetten van zijn eerste gedichten. De Japanse Haiku, vijf- of zevenregelige gedichtjes, inspireerden hem. ,,Dat kan ik ook wel´´ dacht Manuel Kneepkens (74) al op het gymnasium en ging aan het schrijven, schaven en herschrijven. Eerst voor zichzelf en de schoolkrant. Later voor anderen, die zijn gedachten en schitterend taalgebruik graag wilden lezen. ,,Ik was geen sportief figuur, ´k ging liever naar de tekenclub en las heel veel. Veel grote schrijvers in het begin van de vorige eeuw hebben ook criminilogie gestudeerd."

Nu is zijn 15de dichtbundel verschenen in Rotterdam, waar hij sinds 1973 woont, vrede en recht studeerde en docent criminologie met veel aandacht voor het strafrecht en de reclassering, aan de Erasmus Universiteit werd.

,,In die tijd kwam ik op weg naar mijn werkplek vrijwel dagelijks langs de buitenplaats Trompenburg aan de rand van Kralingen. Als ik ook maar even tijd had, ging ik de tuin in om te genieten van de grote hoeveelheid bomen en planten daar", vertelt Manuel Kneepkens. ,, Veel waren er geimporteerd door de eerste rijke eigenaren van het landgoed. Soms kwam er dan in de rust en stilte die er heerste een gedicht in mij op. Ook ging ik er wel met mijn kinderen naar toe om dikkopjes te vangen en kastanjes te rapen, wat eigenlijk niet mocht. Probeer dat echter maar eens aan kinderen uit te leggen."

Het Arboretum Trompenburg is een samenvoeging van twee kleinere buitenplaatsen in Kralingen: Zomerlust en het oude Trompenburg, dat werd gesloopt in 1833. Jazeker, zelfs in die tijd was ´Rotterdam´ al gek op sloophamers. In 1857 verkocht Pieter Tromp het gebied tussen de Honingerdijk en de ´s Gravenweg aan de Engels-Nederlandse reder James Smith. Het oudste deel van de tuin werd in 1820 in de Engelse landschapstijl aangelegd. Een ander deel was het werk van de tuin- en landschapsarchitect Jan David Zocher, die de aanzet gaf voor de groei tot de Botanische Tuin van de derde generatie Smith, James van Hoey Smith.

Niet alles liep van een leien dakje: in 1921 brak een fatale iepziekte uit en moesten alle 400 zieke iepen worden gekapt. James van Hoey Smith, eigenaar van een grote rederij, gaf vervolgens zijn kapiteins opdracht vanuit elke haven die zij aandeden een conifeer mee te brengen. Zo werd een reorganisatie van het landgoed uitgevoerd en kreeg Trompenburg vanaf de jaren dertig zijn bekendheid als bomenpark.

Stadsdichter - een titel voor het leven - Manuel Kneepkens, die er zijn inspiratie voor gedichten opdeed, ontdekte ook dat er veel vrijwilligers hand- en spandiensten verrichtten om het arboretum keurig netjes te houden. Bomen werden, voor zover nodig op tijd gesnoeid, paden onderhouden en ook de vijvers werden schoon gehouden. Al dat werk is nog steeds een vrijwilligers-klus, meestal op de vrijdagen.

Tijdens een korte wandeling wijst Manuel Kneepkens op het beeld van een prachtige zwaan in één van de vijvers. ,,Dat beeld is gemaakt door de bekende Rotterdamse beeldhouwer Robbert Jan Donker, die enkele maanden geleden is overleden´´, vertelt hij. Als oud-fractievoorzitter van de Stadspartij - van 1994 tot 2006, dezelfde tijd waarin ook Leefbaar Rotterdam tot leven kwam onder aanvoering van de vermoorde Pim Fortuyn - is dat hem uiteraard niet ontgaan. Uit de gedichten in zijn 15de bundel blijkt dat hij nog steeds is geinteresseerd in de Rotterdamse politiek. Niet voor niets lagen er ooit tegels met zijn gedichten in de Karel Doormanstraat.

Zijn grote liefde gaat echter uit naar het ´vangen´ van bomen en planten in gedichten, waarbij hij bovendien de actualiteit van alles wat er in de wereld gebeurt, niet uit het oog verliest. In het qua leeftijd ´grijze´ arboretum Trompenburg zijn inmiddels heel creatief en baanbrekend fraaie bordjes met zijn gedichten bij de bomen en planten, waarover zij gaan, neergezet. Dat deze niet overbodig zijn, blijkt wel tijdens de wandeling als na de verbaasde kreet - ´Is dát een eik?´- een brede grijns op het gezicht van Manuel Kneepkens verschijnt. ,,Er staan hier 60 verschillende eikensoorten", zegt hij alsof het niets is. Even later wijst hij op een massa lelijk aangevreten bladeren: ,,Dat zijn de voor slakken zo aantrekkelijke Hosta´s. De slakken zijn er gek op, je ziet op het ogenblik overal in Rotterdam van die aangevreten planten. Het is te wijten aan de slakkenplaag die er heerst."

Poëzie is de taal van de bekoring, van de liefde, maar Manuel Kneepkens kan er ook een flinke tik mee uitdelen aan ons ´Olandesi´ en aan de ´Antibarbari´: ,, Wat een plompe geest, ik verdenk hem ervan een Hollander te zijn. Erasmus". Zelfs de oude keizer van Japan ontsnapt niet aan zijn scherp geslepen potlood. Het gedicht blijkt niet bestemd voor de ´Verhevene´, maar voor de Ginkgo, de Tempelboom. Met weergaloos mooi taalgebruik grijpt Manuel Kneepkens in één gedicht terug naar de vorige eeuw - het eerste vliegtuig - en kijkt in het heden en de toekomst met het ´Betoverde Insect in de Lucht´.

Tot slot nemen we u, de lezer, mee naar ´Bewegende Steentjes´ in Rotterdam. Vergeet voor één keer de bekende stilstaande standbeelden, maar ga met de lichte gedichtenbundel van Manuel Kneepkens in de hand eens kijken en lezen bij de levende en bewegende steentjes in het arboretum Trompenburg. Een echte aanrader, die niet één door kolenstof vervuilde voetstap achterlaat! ,,De Tuin is één van de ´Groene Longen´, die Rotterdam zo hard nodig heeft¨, vertelt hij nog. ,,Net als het park bij de Euromast, dat ook nooit mag verdwijnen.¨

De gedichtenbundel ´Trompenburg, tuinen en arboretum´ is uitgegeven door uitgeverij De Contrabas in Utrecht.

Foto’s Gerard Peters.

Deel dit bericht met je vrienden!