zondag 20 september 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Asielzoekers bij Lesbos Foto: Ggia via wiki

De bofkonten van Lesbos

26 april 2020 (door Han van der Horst)

Langzaam maar zeker verandert het zwaar overbevolkte vluchtelingenkamp op Lesbos in een val waar je reddeloos overgeleverd bent aan het coronavirus. Afstand houden is er onmogelijk. Handen wassen blijft een illusie als je met tientallen gezinnen afhankelijk bent van één enkel waterkraantje.

Beschaafde en dankbare dames en heren zouden hen onthalen als broeders en helden

Het zich op zijn beschaving voorstaand Europa laat deze situatie genadeloos voortbestaan.  Het komt er in feite op neer dat de o zo solidaire lidstaten het armlastige Griekenland met dit probleem hebben opgezadeld. Zoek het maar uit.

In het kamp zwerven honderden kinderen rond die tijdens hun lange reis naar Europa los van hun ouders zijn geraakt. Een aantal Europese landen heeft de hand over het hart gestreken en wil dan in hemelsnaam wel enkele tientallen van die kleine pechvogeltjes  opvangen. Nederland niet. Nederland zegt “Nee”. Nederland zegt: “Dat nooit”. Anders worden Wilders en Baudet boos. Dan beginnen zij over landverraad, knettergek en aanzuigende werking.

Nu heeft ons land toch iets verzonnen. Het wil enkele tientallen kinderen op zijn kosten uit het kamp halen om ze vervolgens onder te brengen bij Griekse gastgezinnen. Heel genereus trekken we daarvoor de portemonnee.   Als die kinderen maar nooit hun modderpoten in onze zo zorgvuldig gestofzuigde salon zetten.

“Ze boften: ze waren ingekwartierd in een villawijk, bij de deftigste burgers...'' 

Dit alles doet sterk denken aan een passage uit Frank van Wezels Roemruchte Jaren, de memoires van A.M. De Jong uit zijn soldatentijd gedurende de Eerste Wereldoorlog. De meeste mensen kennen deze schrijver van zijn cyclus over Merijntje Gijzen, die uiteindelijk in Rotterdam vastigheid vindt maar het wedervaren van Frank van Wezel  is eens zo leuk. Ook al omdat het sterk autobiografisch is.

A.M. De Jong vertelt hoe hij met zijn maten een nacht inkwartiering krijgt op de Veluwe. In Apeldoorn. “En ze boften: ze waren ingekwartierd in een villawijk, bij de deftigste burgers van Apeldoorn. De burgers, die kort geleden een legerdag georganiseerd hadden, geestdriftig gespeecht hadden en gedronken op ‘onze jongens’. De burgers, die blaakten van geestdrift voor het leger, letterlijk huilden van liefde voor de soldaten. De opleiding bofte. Wat zouen ze hartelijk, juichend worden binnen gehaald als lang verbeide gasten! Wat zouen ze vertroeteld worden! Het lauwe bad zou gereed zijn om stof en vermoeienis van hun deerlijk geteisterde lijven weg te nemen. Mollige luie zetels strekten vriendelijk de armen naar hen uit om hen te koesteren in behaaglijke rust. Beschaafde en dankbare dames en heren zouden hen onthalen als broeders en helden, als slachtoffers en martelaars, die lijden moesten, opdat deze dames en heren ongestoord konden voortleven en hun bezit veilig zijn zou voor de begerige greep van snode vijanden. Visioenen van hemelse zaligheid wemelden voor de ogen van de verrukte landstormers, die zich verkwikt voelden nu de heerlijke rust en het feestelijk onthaal zó nabij waren. Ze moesten nog wel een heel eind lopen, want de meeste kwartieren lagen een half uur of daaromtrent van het centrum, waar de troep ontbonden werd. Maar dat kon er nog wel bij: na dát laatste pijnlijke half uurtje kwam dan ook de goddelijke koestering van de weelderige rust in een behaaglijke omgeving... Jaja. Maar in plaats daarvan kwam voor de overgrote meerderheid een bijna groteske ontgoocheling. Op hun bellen werden ze ontvangen door een stijve huisknecht of een blankgemutste dienstbode en kregen een briefje, dat ze zich met hun inkwartieringsbiljet aan dat en dat adres moesten vervoegen: daar waren ze door hun hartelijke gastheren - uitbesteed. Even stonden ze, star verbaasd, met hun briefje in de hand, te kijken naar de keurige deur, die zich rustig voor hen sloot. Die alle vertrouwen, alle behaaglijkheid, alle hoop meedogenloos voor hen afsloot. Die hen buiten stiet, koel en honend, buiten de gemeenschap der deftige burgers... waartoe de meesten van hen zelf behoorden. Voor het eerst van hun leven kregen ze een klein proefje van de bitterheid, die een mens het leven vergallen kan, als hij ondervindt hoe beter gekleden en gevoeden, beter van middelen voorziene soortgenoten hem de rug toewenden met een minachting, die des te grievender is, wijl het gebaar zo natuurlijk, onopzettelijk, vanzelfsprekend lijkt. Soldaten... doodgewone soldaten waren ze immers, afgesneden van eigen kring, van hun maatschappelijke basis gestoten, de gelijken van fabrieksarbeiders, knechten dagloners... armoedzaaiers... proletariërs. Zo voelde je je dus, als achtenswaardige lieden-van-stand de deur voor je neus dicht gooiden, omdat je niet fatsoenlijk, voornaam, deftig en zindelijk genoeg was om door hen als mens en gast ontvangen te worden.”

Die gemeentes wilden de besmeurde eer van ons land nog redden maar ze krijgen de kans niet van de regering in Den Haag.

Kinderen op drift door de burgeroorlog in Spanje eind jaren dertig vorige eeuw. Foto: collectie OT Brocca Smith via wiki

Zie ook:

Deel dit bericht met je vrienden!