zondag 27 september 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Coen was Feyenoord

4 januari 2011 (door Jan Booister)

Kinderen hechten zich rond hun 12de jaar aan een betaaldvoetbalclub en blijven die hun hele leven trouw. Zo leren wijze marketingboeken.
Het klopt.
Rond die leeftijd vol onschuld nam mijn vader me mee naar dat enorme stadion, de Kuip, nog zonder dakranden.

We kwamen uit het verre (vonden we toen) Maassluis op de brommer, een Kapteijn Mobilette, en gingen door de Maastunnel naar Feyenoord dat die dag voetbalde tegen GVAV.

Van de wedstrijd herinner ik me niets meer, anders dan de uitslag en het feit dat die tweede ring bovenin zo verschrikkelijk hoog was.

Feyenoord werd mijn club.

 

Dribbel

Ik ging er vaker heen en zag dan Coen op dat enorm grote veld daar ergens beneden. Wachtend tot hij de bal kreeg en dan vanuit stilstand weg sprintend. Dribbelend langs de lijn. Met die ietwat gebogen rug, enigszins boven de bal hangend. Een schijnbeweging, en hup, langs de tegenstander. En daarna een geplaatste (!) voorzet. Geen wilde ballen voor het doel waar de rest het dan maar moest uitzoeken.

Souplesse, techniek, kracht, snelheid.

Ik wandelde later menigmaal naar de Kuip, de auto ergens in een wijk geparkeerd. En altijd uitkijkend naar wat Coen vandaag zou doen. De voetballer Coen werd ook een beetje van mij.

Later ontmoette ik hem een enkele keer. Wat was hij aardig! Niets uit de hoogte, een doodgewone man. Dat dat kon! Zo’n grote voetballer! Ook niet te beroerd officiële openingen te verrichten en dan vooral toegankelijk te zijn voor iedereen. Een echte Rotterdammer. Iemand van: doe maar gewoon dan doe je gek genoeg. Zoals we in onze jeugd allemaal werden opgevoed.

Coen was er de belichaming van.

 

De Kuip zong

Ik zag hem in zijn afscheidswedstrijd tegen het nationale elftal van Uruguay. De Kuip zong hem toe. In de rust was er die imitator, niet van de echte Coen te onderscheiden. Geen andere speler kon hem nazeggen dat hij zo werd nagedaan.

Er waren de vele kampioenschappen, bekers en uiteindelijk de Europa Cup 1. Het hoogste op voetbalgebied. Meegenomen naar Rotterdam. Met op die linksbuitenplek die echte, doodgewone Rotterdammer.

Iedereen sloot Coen in zijn hart. Coen was Feyenoord geworden.

Zoals Fred Blankemeijer. En Gerard Meijer. Wim van Hanegem niet. Die is Feyenoorder. Dat is al heel veel, maar niet wat Coen was.

 

Zonder opsmuk

Bij de start van de papieren editie van deze internetkrant was Coen er ook. Eenvoudig, zonder opsmuk. Voor iedereen een hartig woordje.

We leefden met hem mee na dat dramatische auto-ongeluk. En met de ziekte van zijn zoon Raymond, die enkele maanden geleden overleed. Coen stond ooit een nier af aan zijn zoon.

Enkele jaren daar voor was ik gevraagd het scenario te schrijven voor een aantal avonturen van stripheld Coentje, bedacht door stripmaker Martin Lodewijk. We bespraken een en ander eerst en natuurlijk was het geen vraag hoe die stripfiguur moest heten. Coentje. Ik liet hem een van zijn avonturen in de modewereld beleven en natuurlijk kwam de echte Coen daar ook in voor. Uiteraard als een eenvoudige man.

 

Terecht staat er een standbeeld van Coen voor de Kuip. Hij verdiende dat. En op de juiste plek.

Coen is Feyenoord voor mij. Al vanaf mijn 12de.

 

Deel dit bericht met je vrienden!