woensdag 27 oktober 2021

webMagazine over stad, cultuur
en wereld

Bijstand móet altijd minimum blijven

15 september 2011 (de Redactie)

(Door Hans Roodenburg)

Rotterdam telt veruit het meeste aantal bijstands-gerechtigden van de grote steden in ons land. In april van dit jaar waren er 33.000 op een inwoneraantal van ruim 600.000.


Dat houdt in dat iets meer dan 1 op de 20 Rotterdammers een bijstandsuitkering heeft. De bijstand (Wet Werk en Bijstand) is de absolute bodemvoorziening in de Nederlandse sociale uitkeringen. Wie op helemaal niks kan terugvallen of te weinig inkomen heeft om van te leven, kan een beroep doen op de WWB. Ook als er onvoldoende AOW is opgebouwd.

Het normbedrag thans voor een alleenstaande is netto € 627 per maand (+ een maximale toeslag van € 250) en voor partners die een huishouden vormen netto € 1253 per maand. De bedragen zijn zonder vakantiegeld en eventuele bijzondere bijstand in bepaalde gevallen.

Hoe dan ook, voor al deze mensen is het natuurlijk op een houtje bijten. In veel gevallen krijgen ze overigens nog huur- en zorgtoeslag, waarmee hun vaste lasten voor wonen en ziektekosten nog enigszins worden gedempt.


Probleem

Een groot probleem gaat ontstaan voor mensen (met name kostwinners in een huishouden) die een baan hebben door de geleidelijke afbouw (over 20 jaar!) van de dubbele heffingskorting. Ook wel 'aanrechtsubsidie’ genoemd. Een partner die geen baan heeft, krijgt namelijk wél de algemene heffingskorting (een aftrekpost voor de inkomstenbelasting) uitbetaald als de verdienende partner voldoende belasting betaalt.

Het gaat dit jaar om € 1.987. Als deze ‘aanrechtsubsidie’ op den duur wegvalt, betekent dat een terugval in deze huishoudens met één kostwinner. Een terugval die overigens weer wordt opgevangen door de te verwachten jaarlijkse verhogingen van het loon van de verdienende partner.

Het vorige kabinet heeft al besloten deze ‘aanrechtsubsidie’ geleidelijk af te schaffen in veertig halfjaarlijkse stapjes om het zoeken van een baan door de niet-werkende partner (meestal een vrouw) aantrekkelijk te maken.

Het huidige kabinet trekt de geleidelijke afbouw van de ‘dubbele heffingskorting’ voor partners van wie er één niet werkt nu ook door tot de uitkeringen. Volgens staatssecretaris De Krom wordt hiermee de oorzaak van het probleem (dat bijstand aantrekkelijker is dan werken) weggenomen.

Het gevolg: bijstandsuitkeringen zullen bruto nog steeds meegroeien met het minimumloon, maar netto (nominaal) voor partners geleidelijk wat minder. De inconsistentie tussen werken en niet-werken wordt dus uit het (nieuwe) stelsel gehaald. Want waarom zal je een baan aannemen als je met een uitkering beter af bent?


Ongewenst

Staatssecretaris De Krom van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vindt het ook ongewenst dat bijstand hoger komt te liggen dan het minimumloon van een kostwinner. Dat zou zelfs zijn gebeurd bij kostwinners die tot 140 procent van het minimumloon verdienen.

,,Voor bijstandsgerechtigden moet het financieel aantrekkelijk zijn om te gaan werken. Daarbij past niet – ongeacht de aantallen - dat de bijstandsuitkering hoger ligt dan het netto minimumloon van een werkende kostwinner,’’ aldus De Krom.

Het is overigens belastingtechnisch een ingewikkelde operatie die de betreffende mensen eigenlijk een zorg zal zijn. Wel gaat nu iedereen (mét een niet-werkende partner) er in de komende twintig jaar wat minder op vooruit dan mét de aanrechtsubsidie. Het effect is belangrijker: zij die tot 140 procent van het minimumloon verdienen zullen net even iets meer te besteden krijgen dan huishoudens van partners met bijstand. Het doel van de regering blijft om werken en uit een uitkeringssituatie komen aantrekkelijker te maken.

Hoewel in principe het bestaansminimum niet wordt aangetast, krijgen bijstandsgerechtigde steeds meer te maken met het wegvallen van allerlei extraatjes, die bedoeld of zelfs onbedoeld zijn.

Over de mogelijkheden hoe een bijstandsuitkering te krijgen, hoeven we hier niet verder in te gaan want daarvoor kan men heel wat informatie krijgen bij de sociale diensten in de gemeenten. Wel is het een probleem dat de ene uitvoerder (de gemeentelijke sociale diensten) soms de WWB nét iets anders interpreteert dan de ander.


Duidelijk

In een rubriek die ik elders maak is een hoog scorende vraag wat er met een lijfrente moet gebeuren als die pas later (als er nog een bijstandsuitkering loopt) tot uitbetaling komt. Vaak komt die voor bij kleine zelfstandigen als pensioenvoorziening en/of bij partners die gescheiden zijn. Soms ook bij andere mensen die een beroep doen op de WWB.

Welnu, de sociale dienst in Rotterdam is daarover duidelijk. Het is vermogen waarop een beroep kan worden gedaan of het is een rechtstreekse uitbetaling. In beide gevallen heeft die invloed op de bijstandsuitkering. Het bedrag van de lijfrente-uitkering (per maand, periodiek of per jaar) wordt rechtstreeks gekort op de maandelijkse bijstand.

Is de lijfrente nog niet tot ‘expiratie’ (uitbetaling) gekomen, dan telt zij mee voor het vrij te laten vermogen. Dat laatste – het bedrag dat men mag aanhouden voor kas- en spaargeld en andere bezittingen die in geld om te zetten zijn – is maximaal € 5.555 voor een alleenstaande en € 11.110 voor gezinnen.


Opmaken

Als het lijfrentekapitaal – wat dus vroeg of laat ter beschikking komt voor betaling van de periodieke uitkering – meer is dan dit vrij te laten vermogen, zal men eerst dat meerdere moeten opmaken. De drie genoemde gemeenten laten er ook geen misverstanden over bestaan: zelfs als de afkoopsom (verzekeraars bieden soms die mogelijkheid met alle gevolgen van dien en fiscale consequenties) hoger is dan het vrij te laten vermogen zal men kortingen op de bijstandsuitkeringen gaan hanteren.

Het is zelfs zo erg dat als de lijfrente pas na de 65ste verjaardag expireert (als men voor AOW in aanmerking komt), hiermee bij de aanvraag van de bijstandsuitkering vaak ook al rekening wordt gehouden. Alleen in die gevallen dat mensen (bijvoorbeeld zelfstandigen) kunnen aantonen dat de lijfrente in het verleden is afgesloten als enige en beperkte aanvulling op de AOW, dan willen sociale diensten dat nog wel door de vingers zien.

Fraude

De diensten geven aan dat per definitie eventuele lijfrentes – ook die dus in de toekomst uitbetalen – moeten worden opgegeven. Doet men dat niet, dan loopt men het risico later van fraude beticht te worden met alle boetegevolgen van dien. De regel is: ,,De bijstandsgerechtigde is in beginsel verplicht alle aanspraken op middelen (inkomsten en vermogen) te gelde te maken en aan te wenden voor zijn levensonderhoud.’’

Onterecht is voorts dat mensen voordat zij een bijstandsuitkering aanvragen een overbruggingslijfrente opschuiven tot na hun 65ste om op die manier korting op de bijstand te ontlopen.


Dus de conclusie is heel duidelijk: bij aanvraag van een bijstandsuitkering moet altijd elke lijfrente worden opgegeven, los van het tijdstip wanneer die expireert. Anders wordt het al gauw beschouwd als fraude. Per individu zal de sociale dienst beoordelen wat er met de lijfrente moet gaan gebeuren.


Deel dit bericht met je vrienden!