maandag 25 oktober 2021

webMagazine over stad, cultuur
en wereld

Bedrijfspensioen komt niet vanzelf

4 juni 2015 (Hans Roodenburg)

Enkele honderdduizenden van de ouderen in de regio Rotterdam zijn gepensioneerd. Vrijwel de meesten van hen hebben als basis de collectieve voorziening AOW of als zij in het buitenland hebben gewoond/gewerkt een deel daarvan. Dat is de eerste trap in ons pensioenstelsel. De tweede is het bedrijfspensioen dat vaak bij deelnemers in een pensioenfonds (werknemers) het geval is. De derde trap is het zelf sparen en opbouwen van vermogen, spaargeld, beleggingen en/of lijfrentes.

Het zijn vaak zelfstandigen die daarop naast de AOW moeten bouwen.

Koopkrachtverschil
Het moge duidelijk zijn dat er een groot verschil bestaat tussen de koopkracht van de ene gepensioneerde in vergelijking met de andere. Toch is er in de collectieve voorzieningen sprake van grote nivellering.
Bijna iedereen heeft of krijgt een zogenoemd ‘pensioengat’: minder pensioen dan waar men op rekent. Wel kan dat gat, mede door aanpassingen in de pensioensystematiek, voor de mensen die de komende veertig jaar gaan ‘rusten’ groter zijn dan in het verleden. Niet zozeer door aantastingen van de AOW, want die gaat meestal mee met de inflatie, maar door veranderingen in het aanvullende pensioenstelsel voor werknemers.
 

Bijna iedereen heeft of krijgt een zogenoemd ‘pensioengat’: minder pensioen dan waar men op rekent.In de vorige eeuw hadden de meeste pensioenfondsen vaak een (gegarandeerde) regeling dat elke werknemer bij 40 dienstjaren in een fonds recht had op 70 procent van zijn laatste salaris, inclusief de collectieve AOW (een overheidszaak). Dat is vanwege wat onrechtvaardigheden iets veranderd.

Middelloon
Iemand die in het laatste deel van zijn werkzame leven promotie maakte kreeg dat ook terwijl door de collectiviteit de premies eigenlijk grotendeels ook werden opgebracht door de mensen met een gelijkmatiger pensioenopbouw.
Daarom is vooral vanaf de jaren ’90 het zogenoemde middelloonsysteem ingevoerd waarbij pensioenen weliswaar collectief beheerd blijven maar voor elke werknemer een meer gelijkmatige opbouw.
Jongeren willen wel eens beweren dat de pensioenpotten leeg raken en dat er daarom voor hen in de toekomst niks zal zijn. Dat is natuurlijk onzin. Want daarvoor bestaat in het ingewikkelde pensioenstel voor de toekomst de zogenoemde ‘dekkingsgraad’ die er voor moet zorgen dat de jongeren van thans ook nog recht op aanvullend pensioen hebben.
Dezelfde ‘dekkingsgraad’ is een van de redenen waarom ‘zeurouderen’ – soms zelfs ondersteund door politici en sommige hoogleraren – menen dat in slechte economische tijden hun aanvullend pensioen ook inflatiebestendig (zogenoemd geïndexeerd) moet zijn. Deels opsouperen dus van de pensioenreserves. De onzekerheid is of deze potten later weer genoeg worden bijgevuld.

Realistisch
En daarbij gaat het niet om 2 of 4 procent zogenoemde rekenrente naar de toekomst, maar om een realistische rekensom voor de toekomst. Het kan niet anders dan dat je hierin aannames hanteert, waardoor gepensioneerden én werkenden óf worden getroffen óf er juist profijt van hebben. Het is nu eenmaal niet met een knipschaartje perfect af te meten. Dat ligt in de onzekerheden die elke verre toekomst heeft.
Dat de AOW mogelijk opschuift naar 67 jaar (in 2021) heeft te maken met de gemiddelde stijging van de levensverwachting. Dit jaar krijgt men AOW als men 65 jaar en drie maanden is. Op enkelingen na maakt niemand zich druk over het iets later krijgen van deze AOW. Iedereen profiteert er mede van omdat hun AOW-premies niet uit de pan rijzen.
Hoewel er ook groepen zijn (zoals de landelijke politieke partij SP) die vinden dat de collectieve lasten toe moeten nemen en dan nog het liefst alleen voor de hogere inkomensgroepen. Is voor hen het huidig vrij progressieve belastingstelsel niet scherp genoeg (maximaal 52 procent over al het inkomen boven de € 57.585 belastbaar inkomen)?

 

 

Je ziet het aan de gepensioneerden van thans. Klagen, klagen, klagen als ze alleen maar AOW hebben (of zelfs minder) terwijl de meesten toch mogelijkheden hebben gehad om bij te sparen.Collectief
Het principe van de collectieve regelingen AOW en bedrijfspensioen zal de komende jaren niet veel veranderen. Hooguit wat aanpassingen in pensioenleeftijd en indexatie. Maar in de derde trap (vermogen, spaargeld, beleggingen, lijfrentes) kan een ieder individueel nog veel doen. Het probleem is dat jongeren daarin kennelijk niet al te veel besef hebben. ’Leef vandaag, morgen zien we wel,’ is vaak hun motto. Niet beseffend dat ze eigenlijk tegenwoordig al een stukje vermogen (voor de oudedag?) opbouwen met hun huishypotheek. Maar eigenlijk zouden ze voor die derde trap in ons pensioenstelsel nog meer moeten doen.
Je ziet het aan de gepensioneerden van thans. Klagen, klagen, klagen als ze alleen maar AOW hebben (of zelfs minder) terwijl de meesten toch mogelijkheden hebben gehad bij te sparen, zich verder te ontwikkelen (waardoor zij hogere salarissen konden krijgen), niet alles wat er binnenkomt uit te geven, of dankzij eventuele erfenis(sen) over een reservepotje hadden kunnen beschikken.

Een werknemer die zijn hele leven het brutominimumloon verdient heeft krijgt (thans) als alleenstaande aan AOW en bedrijfspensioen samen ongeveer 1300 euro netto per maand. Daarvan valt te leven als je geen buitensporige uitgaven doet. Een groep heeft ook minder. De meeste werknemers zitten daarboven na deelname aan een pensioenfonds. Zeker als zij een partner hebben die in het verleden ook pensioenrechten heeft opgebouwd.

 

 

 

 

 

 

 

Deel dit bericht met je vrienden!