woensdag 15 juli 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Balanceren nodig in aanvullend pensioen

23 november 2016 (door de Redactie)

(Door Hans Roodenburg)

Over het aanvullend pensioen heb je klagers, twijfelaars, mensen die zich geen zorgen maken of het helemaal niet hebben en zij die het totaal niet interesseren. Behalve de basisvoorziening AOW – in de regio Rotterdam naar verwachting in 2020 circa 20 procent van de bevolking – ‘genieten’ vele personen van een aanvullend bedrijfspensioen en/of hebben zij een potentieel vermogen van laag tot hoog. (Op de foto: Staatssecretaris Jette Klijnsma van Sociale Zaken.)

Volgend jaar dreigen wederom allerlei kortingen op dat aanvullend pensioen. Dat is niet uit weelde, maar vooral ook om op langere termijn voor de jongeren die nog lang niet met pensioen zijn nog iets over te hebben in de pensioenpotten van de vele pensioenfondsen.


Hoewel er enorme verschillen zijn tussen het beleggingsbeleid van de fondsen draait het bij dit financieringsstelsel (in tegenstelling tot de AOW die een omslagstelsel kent) toch om de vraag of er op langere termijn nog geld over is voor de mensen die dán met aanvullend pensioen gaan. Een verlies voor sommigen (zij die doodgaan of later gepensioneerd worden) is er altijd! Dat is inherent aan het systeem.

Een omslagstelsel zoals bij de AOW heeft dat óók, maar daarin kan men zelfs per jaar bepalen of de jongeren een hogere premie betalen én/óf de overheid méér geld in zijn begroting ervoor uittrekt. Voor beide systemen is wat te zeggen. Maar de ware basis (AOW) moet een sociale voorziening zijn die in vele landen van de wereld zelfs niet bestaat.

(Foto hiernaast: Veel gepensioneerden hebben tegenwoordig ook een ander ‘kleurtje’ maar zijn in ons land terecht gelijk gesteld aan alle anderen.)

Daarom is de combinatie van de basisvoorziening en het gefinancierde aanvullend bedrijfspensioen voor werknemers op lange termijn zo mooi. Dat laatste heeft wél tot gevolg dat je de potten niet zomaar kunt leeghalen voor de gepensioneerden thans want dan is er te weinig geld over voor de gepensioneerden van de toekomst.

Staatssecretaris Jette Klijnsma van Sociale Zaken heeft besloten om tot 31 december dit jaar te wachten met het eventueel doorvoeren van nieuwe kortingen volgend jaar op het aanvullend pensioen.

Nogmaals: vinden er kortingen plaats dan worden de nog werkenden daardoor in hun pensioenopbouw eveneens getroffen. Alleen merken zij het nog niet direct en hebben zij vaak nog vele jaren de tijd om daarin maatregelen te nemen (herstel pensioenopbouw en/of vergroting van hun aanvullend vermogen als reserve).

Mogelijk worden volgend jaar 2,1 miljoen mensen in Nederland van wie circa 200.000 gepensioneerden indirect of direct getroffen door korting bij circa dertig pensioenfondsen. De Nederlandsche Bank (DNB) heeft dat uitgerekend in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken.

Dat zou betekenen dat vele pensioendeelnemers én gepensioneerden na al eerdere kortingen opnieuw getroffen worden. Dat alles heeft met zogenoemde ‘dekkingsgraden’ te maken die op de langere termijn ervoor moeten zorgen dat er nog genoeg geld in de potten zitten voor pensioenuitkeringen.

De situatie is iets verslechterd ten opzichte van een eerdere berekening van de DNB dit jaar. De buffers, waarop de dekkingsgraden – de aannames voor de toekomst - zijn gebaseerd, zijn vooral ontoereikend vanwege toekomstige prognoses over de lagere rente op dít moment.

Dat is de belangrijkste reden waarom Klijnsma pas op 31 december kan zeggen met hoeveel de bedrijfspensioenen per pensioenfonds moet worden gekort. Het gaat overigens om enkele procenten per jaar. Zeg maar bij een aanvullend pensioen van bruto 400 euro per maand om gemiddeld 3 euro minder.

(Foto hierboven: Gepensioneerden hebben het goed of slecht.)

Er zijn natuurlijk allerlei alternatieven voor een herstelperiode, zoals hogere premies voor werknemers en werkgevers. Een andere mogelijkheid is dat pensioenfondsen langer mogen doen over de herstelperiode waarin de inflatie (én de rente dus ook de aangenomen beleggingsresultaten op de lange termijn!) kan oplopen.

Overigens mogen pensioenfondsen als zij serieus werk maken van het herstel van de buffers (en dekkingsgraden) er al tien jaar over doen maar het effect van de beleggingsprognoses kan hoog zijn op de door te voeren kortingen thans.

Een korting hangt dus van een heleboel factoren af. Maar het mag duidelijk zijn dat er hoe dan ook kosten zijn om kortingen te voorkomen. Politieke partijen kunnen uiteindelijk invloed uitoefenen. De klagers onder de gepensioneerden gaan in maart wellicht 50PLUS stemmen want die willen alleen maar méér geld op hun aanvullend pensioen (de basisvoorziening AOW is wel inflatiebestendig).

Ook al gaat het bij 50PLUS ten koste van de jongeren op langere termijn. Daarover is de politieke partij eenzijdig. SP en PVV willen eveneens méér voor gepensioneerden zonder dat zij erbij vertellen dat dit een probleem op langere termijn kan opleveren of dat dit ten kosten gaat van de begroting of inkomstenbelasting. Zij hebben het alleen maar over solidariteit tussen bevolkingsgroepen en kijken dus niet verder dan hun neus (politiek) lang is.

De overige partijen zweven daarin tussen linkse, midden en rechtse opvattingen. Naarmate de verkiezingen naderbij komen in maart worden die opvattingen alleen maar minder financieel onderbouwd. Want de te verkiezen politici zijn helaas erg sterk om niet het eerlijke verhaal te vertellen.

Als laatste dan toch maar mijn eigen opvatting: je kunt niet alles willen. De sociale basisvoorzieningen (zoals bijstand en AOW) zijn voldoende. In vele landen ter wereld heeft men die zelfs niet. Een paar euro per maand minder of méér in het aanvullend pensioen maakt niet zoveel uit als de basis (AOW) maar overeind blijft. De (politieke) kloof tussen wat men wél wil en níet wil zal altijd blijven bestaan.

Deel dit bericht met je vrienden!

De toekomst is vandaag, de geschiedenis wordt morgen geschreven