woensdag 15 juli 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

(5 slot) Eind mei: Terug naar de stad

26 mei 2015 (door Geert-Jan Laan)

Van de bijna 80.000 vluchtelingen, die op 14 mei 1940 de stad hadden verlaten was het merendeel in de omgeving gebleven. Vooral in het centrum, de wijken Rubroek en Oud-Kralingen waren veel woningen verloren gegaan. Echte arbeiderswijken.

Het merendeel van de vluchtelingen had niet alleen de woning verloren, maar al hun bezittingen. Voor het grootste deel vonden zij onderdak in vergelijkbare wijken. Crooswijk, het Oude Noorden en het Oude Westen.
Onhoudbare toestanden ontstonden wanneer een gezin met dertien personen moest intrekken bij een gezin van vijf personen.

 

De schade was niet alleen beperkt tot woningen. Er zijn o.a. 31 warenhuizen, 2320 kleinere winkels, 31 fabrieken, 1319 werkplaatsen, 675 pakhuizen en vemen, 13 bankgebouwen, 1437 kantoren en 517 cafés en restaurants verwoest. Foto: BundesarchivBoerenzijde
Inkwartiering ‘op Zuid’ werd nauwelijks als een alternatief gezien. Rotterdam-Zuid, ook wel geringschattend ‘de boerenzijde’ genoemd was eigenlijk onbekend terrein. De mensen hadden er geen familie of vrienden. Met horten en stoten kwam toch snel een golf aan hulpverlening uit de rest van het land op gang.
Steden als Amsterdam en Den Haag organiseerden inzamelingen en steunden Rotterdam met geld, levensmiddelen, materieel en arbeidskrachten. Tot eind juni 1940 konden 30.000 tot 35.000 ontheemden profiteren van de gratis maaltijden die via veldkeukens werden uitgedeeld.
Tienduizenden kledingstukken werden via de Gemeentelijke Rotterdamse Dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon (de voorloper van de Sociale Dienst) uitgedeeld. Maar ook duizenden stoelen, tafels, bedden en andere huishoudelijke spullen werden verdeeld.
Een lange stoet vrachtwagens vertrok al een week na het bombardement met een lading ter waarde van 300.000 gulden aan textielgoederen uit Twente. De textielbaronnen lieten zich van hun goede kant zien.
Ook de Duitsers stelden 41.000 hoogwaardige dekens ter beschikking. Dat gebaar bleek een forse sigaar uit eigen doos.
De dekens waren geroofde oorlogsbuit van de Duitse troepen en afkomstig uit Nederlandse legervoorraden.

Onderdak
De schade was niet alleen beperkt tot woningen. Er zijn 26 hotels, 117 pensions en 24 logementen verloren gegaan. Zij hadden onderdak geboden aan zo'n 2000 personen. Verder was een groot aantal bedrijfspanden verwoest. Eenendertig warenhuizen, 2320 kleinere winkels, 31 fabrieken, 1319 werkplaatsen, 675 pakhuizen en vemen, 13 bankgebouwen, 1437 kantoren en 517 cafés en restaurants. Daarnaast veel overheidsgebouwen en soms monumentale panden die vaak slechts gedeeltelijk waren beschadigd en waarover snel een discussie losbrandde of zij wel of niet in de oude glorie moesten worden hersteld.
Kostbare inboedels en waardevolle verzamelingen van eeuwen geleden waren vernietigd. Daar was bij de boekerij van het Rotterdamsch Leeskabinet, die in vlammen was opgegaan.

 Prof. dr. G.A. Van Poelje schreef op 21 mei 1940 al aan B en W van Rotterdam: ‘Het is een onbegonnen werk te midden van de algemene ruïne enkele particuliere gebouwen in stand te houden’.Al in de jaren dertig was een felle discussie ontstaan of ten behoeve van een goede doorstroming van het spectaculair toenemende (auto)verkeer ook monumentale panden moesten worden gesloopt. Een club verontruste Rotterdammers, waaronder KvK voorzitter mr. K.P. Van der Mandele, de jurist mr. F.J. Brevet en de architect J. Verheul verzette zich daartegen.
Op 30 november 1938 hield mr. Brevet een inleiding over dit onderwerp. Een discussie die tot op de dag van vandaag in steden als Groningen, Haarlem, Utrecht en natuurlijk ook nog in Rotterdam wordt gevoerd.

'Hooger orde'
Mr. Brevet zei: ,,Er zijn in een stad gebouwen die men niet afbreekt zonder schade te doen aan een gezond besef van kracht, traditie en cultuur. Er zijn belangen van hooger orde, dan het belang van het verkeer. Weliswaar kan een groeiende stad niet een onveranderd beeld blijven bewaren en worden tot een bouwkundig museum. Maar wie waarlijk duurzaam (het woord duurzaam reeds in 1938! - GJL) werk wil verrichten voor de toekomst behoort zich bewust te zijn van en eerbied te hebben voor de grondslagen waarop hij voortbouwt. Een stadsbeeld zonder geschiedenis is als een gelaat waaraan de trekken ontbreken van een gevormd karakter.”

De secretaris-generaal van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen prof. dr. G.A. van Poelje schreef op 21 mei 1940 al aan B en W van Rotterdam: ,,Het is een onbegonnen werk te midden van de algemene ruïne enkele particuliere gebouwen in stand te houden. Er moet een nieuwe stad komen en men binde den nieuwen stedebouwer niet aan bestaande gebouwen. Voor behoud komen alleen in aanmerking: de Delftsche Poort, het Schielandhuis en wellicht de toren van de Laurenskerk, de kerk zelf niet.”

Een journalist vatte het in die dagen wat puntiger samen: ,,Moker, houweel en schop regeren hier. Op de puinhopen van een oud gaan we een nieuw Rotterdam bouwen. Wij geven geen opsommingen doch volstaan met te zeggen dat Rotterdam geen historische gebouwen meer heeft.”

(Zie ook de eerdere afleveringen: inleiding, 1, 2, 3, 4).

 

 

 

 

 

Deel dit bericht met je vrienden!

De toekomst is vandaag, de geschiedenis wordt morgen geschreven