woensdag 27 oktober 2021

webMagazine over stad, cultuur
en wereld

14 mei 1940

6 mei 2019 (de redactie)

Volgende week dinsdag vindt op Plein 1940 de jaarlijkse herdenking plaats van het bombardement op Rotterdam. Bij het beeld ‘De verwoeste stad’ van Ossip Zadkine.

De meeste stadsdichters hebben op dat thema een gedicht geschreven. Als opmaat naar de komende 14e mei zullen in Kopstoot enkele van die gedichten worden opgenomen.

Maar we beginnen met een iets ander fenomeen. De onlangs overleden Joop van de Bos las al heel veel jaren op 14 mei rond half twee in de middag zijn gedichtentrilogie over het bombardement voor bij het Mariniersmonument op het Oostplein. De drie delen zijn: 1. De Sint Laurens lotsgebonden 2. Bezeten zijn zij opgestegen 3. Capitulatie

14 mei 1940 – Trilogie

(Door Joop van de Bos)

1. De Sint Laurens lotsgebonden

Er gingen toen hoeden door de stilte
van de zevende dag, als schimmen ter kerke,
vrouwenschimmen,
als zwanen schrijdende.

De hongerenden hadden een rode vlag,
werkloze mannen in de sloppen,
met vrouwen in armoede,
zorgelijke vrouwen veelal.

Waar de stem van Louis Davids weerklonk,
in Kralingen woonden de havenbaronnen.

Toen het gevoelige gezicht van de stad
in vuur verdween,
de Sint Laurens lotsgebonden!

Maar de stad vandaag: we functioneren
in kleine circuits van mens nog.
In uiterst snelle voortgang langs elkaar,
te midden der mechanische processen.
Met de Sint Laurens als evenementenhal,
lotsgebonden?

2. Bezeten zijn zij opgestegen

Bezeten zijn zij opgestegen,
van drie vliegvelden tegelijk,

om een stad te vernietigen, weg te vagen.
Een stad van nijvere mensen,
onschuldig, vredelievend.

Als robots geprogrammeerd.
Mensen ja, jonge mensen,
volgestopt met waan en gekte.

Gerationaliseerde waan en ideologische gekte: vol gif.
Zo zijn zij vertrokken, als gevleugelde duivels
uit het rijk van het kwaad,
om weerloze burgers te vermoorden,
kinderen van een open stad.

Het vuur, overal het vuur! Vluchtende mensen,
knielende nonnen in het bos.
De stad is van vuur, hels hemelend,
laagvliegende heinkels, ondraaglijke stank.
Wanhopige soldaten schieten op monsters in de lucht.
Op het Jaffaland de jongen met de broodtrommel.
Een kleine bange jongen.
Er wordt een kind geboren,
de verbijstering baart een kind!

Hitte! Alles verstikkende hitte,
brullend, loeiend, gierend!

In een laaie gloed!
Maar de wind draait. De Oudedijk blijft staan.
De Vlietlaan en de Goudserijweg.

Asregen in de avond. De ruimte hijgt,
maar de mensen zijn stil

in de Kralingerhout.
Gelaten, ontzet, beduusd, verdwaasd!

Wolken van dichte rookstof stapelen zich,
jagend, golvend,

wollig krullend, in loodzware zwaarten. In een vuurvlaag de Laurenstoren,
de molen van het Oostplein.

Maar de berusting, de angstaanjagende berusting, het ongeloof van de duizenden mensen op het land.
De klokken luiden!

En de stad in een zeng van rook, de hele ruimte in een
apocalyptische gloed, van zwart en rood in gore walm!

3. Capitulatie

Meulmeester en van Gastel
werden dodelijk getroffen.
Een omvergeworpen tram stond in brand.
Toon Clijssen een schot in het oor,
gewond aan beide benen.
Zij zaten onder de Maasbrug
en konden geen kant meer uit.
Toen kwam het bombardement,
zij keken in de loop van een geweer
en werden afgevoerd.
In de Van der Takstraat
wemelde het van Duitse officieren.
Seeghers, een Maastrichtenaar,
kon een beetje Duits verstaan.

Rotterdam was gevallen.

Door de brandende stad
liep een man met een witte vlag.

 

Deel dit bericht met je vrienden!