De Wmo en de terugkeer van de Armenzorg
Als Rotterdammers niet eerder overlijden, breekt voor hen onherroepelijk de dag aan dat zij een beroep moeten doen op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
De eerste stap is dan het raadplegen van de website Rotterdam.nl. Na het kopje "Wat regelt de Wmo?" volgt een paragraaf met de titel "Wat kunt u zelf doen?" De tekst daaronder luidt:
"De gemeente verwacht dat u eerst onderzoekt hoe u uw vraag zelf kunt oplossen: Zijn er dingen die u zelf kunt doen? Of kunt u hulp krijgen van iemand die u kent? Zijn er algemene voorzieningen of andere mogelijkheden? Heeft u een ander soort hulp nodig? Heeft u alle stappen doorlopen en nog niet de juiste hulp gevonden? Meld u zich dan bij de gemeente."
Deze bitse mededeling wordt over het algemeen gedaan aan ouderen die rond 1970 — en vaak nog eerder — voor het eerst een belastingaanslag ontvingen. Sindsdien zijn ze door de fiscus nooit vergeten. Geen jaar. Tot op de huidige dag. Mijn eerste aanslag hing samen met een vakantiebaantje in het oudemannenhuis aan de Oostervantstraat in het Nieuwe Westen. Het stond op de plek van het huidige zwembad en was trouwens begonnen als armenhuis. De oude mannen kwamen pas later.
De oude mannen hadden vaak een ruig leven achter de rug, bijvoorbeeld als KNIL-soldaat of zeeman. Sommigen waren goede klanten van de kroegen in de buurt, zoals Terminus, en kwamen dan weleens boven hun theewater thuis. Door hun ongezonde levensstijl raakten ze op den duur bijna allemaal in een nieuwe voorziening: de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Het was mijn taak ze in een kaartsysteem onder te brengen, zodat de maandelijkse uitkeringen op grond van deze wet per bewoner konden worden geregistreerd en opgeteld. Ik maakte ook een groot schema om het totaalbedrag voor alle bewoners samen op te tellen. Van links naar rechts en van onderen naar boven met één en dezelfde uitkomst. Ik deed mijn werk met plezier, ook in de overtuiging dat Nederland op sociaal gebied zijn zaakjes steeds beter voor elkaar kreeg.
Ik zat op een grote kamer samen met de boekhouder en nog een dame voor de administratie. De directeur, meneer Manger, had een eigen vertrek. Daar kwam hij zo nu en dan uit om een praatje te maken over zijn grote plan: een nieuw bejaardentehuis op een andere plek, zodat ons oude karkas (of bedoelde u bouwvallige pandje?) eindelijk kon worden afgebroken. Met een eigen kamer en badgelegenheid voor elke bewoner. En bovendien nog iets nieuws: er zouden tegen het nieuwe tehuis aan woningen worden gebouwd voor bejaarde echtparen van wie er één continu zorg nodig had, die dan vanuit het huis geleverd werd. Meneer Manger noemde dit "aanleunwoningen". Als ik mij niet vergis, heeft hij zijn grote project ook gerealiseerd. Nog iets: hij verdiende geen marktconform "tonnensalaris" en hij werd niet door een stoet van beleidsmedewerkers omringd.
Aan hem moest ik met eerbied denken toen ik die tekst van de gemeente las over "eerst zelf andere mogelijkheden zoeken". Bij de Belastingdienst hoef je ook niet aan te komen met de opdracht andere mogelijkheden te zoeken. Dat heeft de bittere ervaring mij geleerd.
De toon laat zien hoe Rotterdam ten kwade is veranderd. Of liever gezegd: naar een kwaad tijdsgewricht is teruggekeerd. Ik moet ergens nog een exemplaar hebben van het Handboek voor de Gereformeerde Armenzorger uit 1917 of daaromtrent. In die tijd moesten mensen die nu klant zouden zijn van de Wmo eerst langs bij de familie en de eigen kerk voordat het burgerlijk armbestuur hun aanvraag om onderstand in overweging nam.
Ik moest ook denken aan tante Marie van ome Dorus. Tante Marie vertelde graag hoe de Sint-Vincentiusvereniging controleurs langsstuurde bij haar verweduwde moeder om de linnenkasten te controleren. Toen de inhoud voldoende versleten bleek, kwam zij in aanmerking voor twee hele broden per week.
Dat is de geest van die passage over de Wmo op de site van de gemeente. Dat en niets anders. Het is de eindoverwinning van de schriele armenzorg, waar je als bejaarde heel dankbaar voor moet zijn.