Café Groenland – een oom op de Kaap (Slot) Een Groenlandse Venus van Botticelli

28 februari 2026 • 01:12 door Manuel Kneepkens
Café Groenland  – een oom op de Kaap  (Slot) Een Groenlandse Venus van Botticelli
Inuit in de expeditie van de Deen Rasmussen in 1922 toen Denemarken nog vollop aan het koloniseren was . Fotograaf onbekend- Spaaarnestad Nat.Archief

(vervolg van 7, 14 en 21 februari)

Die geheimzinnige oom Cor, die wij dus nooit in levende lijve gezien hebben, die wij alleen kenden van foto’s, heeft ons niettemin zeer beïnvloed. Zoals al gezegd: Twan is in de scheepsbranche verzeild geraakt; ikzelf woon en werk als culinair journalist al sinds jaar en dag in Rotterdam, zij het op de noordoever. En mijn jongste broer Zef is… sprookjesschrijver geworden. Kinderboekenschrijver moet ik eigenlijk zeggen. Want sprookjes voor volwassenen… geen hond of uitgever die daar vandaag de dag nog brood in ziet. Ik geloof dat Godfried Bomans de laatste is die dat nog succesvol heeft kunnen doen.

Toen ik mijn broer Zef, de sprookjesschrijver, dan ook vertelde dat ik verzocht was door de leiding van literair café Tsjechov & Co (inmiddels op de fles, M.K.), op de hoek van het Deliplein en de Lombokstraat op Katendrecht, om een verhaal over de Kaap te schrijven en voor te dragen, mailde hij mij: “Ik zal je helpen! Ik heb de waarheid over het been van oom Cor ontdekt. Het zit zo:

Vlak voor de oorlog heeft oom Cor aangemonsterd als kok op een expeditieschip naar ’t poolgebied. Daar woont het volk van de Inuit. Nooit ‘het volk van de Eskimo’s’ zeggen. Eskimo is een naam die hun door anderen is opgedrongen en die zij als denigrerend ervaren. Dat ligt daar gevoelig. Net zoals men in Amerika níét van een neger spreekt, maar van een Afro-American, en niet van een Indiaan, maar van een Native American…

De Inuit dus.

Een volk dat toen nog, in oom Cors tijd – nu prijkt ook daar een tv in iedere iglo – in de barre vrede van het stenen tijdperk leefde.

De Inuit zijn ronduit holistisch. Het onderscheid tussen mens en dier maken zij niet zo. ‘Mijn en dijn’ bestaan eigenlijk niet. Monogamie is hun onbekend.

Hun voornaamste religieuze gebeuren is de jaarlijkse orgie. De sjamaan dooft, na ettelijke gebeden waarin hij de vruchtbaarheid van de stam bij de goden afsmeekt, de olielamp. De Eskimoman paart dan de Eskimovrouw die naast hem ligt, en vervolgens de volgende. De hele stam maakt dus een rituele horizontale rondedans. De bedoeling is natuurlijk zoveel mogelijk nakroost te verwekken. Geen druppel zaad mag verloren gaan. Alleen zo kan de stam daar in het barre noorden tegen de klippen op overleven. Promiscuïteit is noodzaak voor de Inuit.

Ook door het jaar heen houden man en vrouw er buitenechtelijke partners op na. Dat is daar doodgewóón. Maar dat houdt wél in dat men de man of vrouw waarmee men samenwoont het feit van zijn/haar nieuwe liefde dient mee te delen.

Dat is om praktische redenen. Want de Inuit-man en -vrouw liggen ’s nachts zo dicht mogelijk tegen elkaar aan; dat helpt reuze tegen de kou. Afwezigheid van de partner betekent steevast een koude buik of rug. Dan moet er een extra ijsberenvel tegenaan, anders zou men wel eens dood kunnen vriezen. Het is dus zaak dat men van elkaars aan- of afwezigheid goed op de hoogte is.

Nu doet ’t volgende verhaal onder de Inuit de ronde, en op zekere avond vertelde men dat ook aan oom Cor. Dit alles dus volgens mijn broer Zef, de sprookjesschrijver.

Er was eens een Inuit-man die bemerkte dat ’s nachts de plek in bed naast hem onbeslapen bleef, zonder dat hem door z’n vrouw was meegedeeld waar zij dan ’s nachts naartoe ging.

Dat was dus hoogst ongebruikelijk. En op zekere nacht, toen de man de vrouw naast hem alweer hoorde weggaan, besloot hij haar heimelijk te volgen, want hij wilde weten wie haar minnaar was. Ook dat was ongebruikelijk – het wordt zeer onhoofs geacht bij de Inuit als een man zijn vrouw bespiedt terwijl zij naar haar minnaar gaat, et vice versa – maar nood breekt wet.

Gelukkig was het volle maan, zodat de Inuit-man zijn vrouw heel goed voor zich uit door de sneeuw kon zien schuifelen. Maar… zij klopte nergens bij een andere iglo aan, maar begaf zich naar de rand van de ijsschotsen, tot bij de open zee…

Wat moest zij daar?

Plots grote turbulentie. Er dook een walvis op. Heremejee, mijn vrouw is verliefd op een walvis! schrok de Eskimo.

Nu won de nieuwsgierigheid het – de Inuit zijn, zoals ik al zei, zeer praktisch-technisch ingesteld, zij móéten wel daar hoog bij de Noordpool. “Hoe zouden ze het in godsnaam samen doen?” dacht de Inuit. “Een penis van een walvis meet gauw twee meter, en mijn vrouw haalt van top tot teen waarschijnlijk de 1 meter 60 niet eens…”

Maar kijk, het linkerneusgat van de walvis opende zich nu en… daaruit kroop een zgn. walvismannetje, héél slank en rank, dat niet veel groter bleek dan ’t Inuit-vrouwtje.

Hop, kroop hij op haar! En ze paarden dat het een lieve lust was. Na afloop kroop het mannetje weer in het neusgat terug. De walvis dook onder. En dat was dat.

Nu, dat was een prachtig verhaal.

Oom Cor, die al een hele zeereis lang gedwongen was geweest in onthouding te leven – zeer ongewoon voor een ras-Bourgondiër, bovendien nog zeeman ook – vroeg meteen of zoiets ook andersom voorkwam.

Of er ook wel eens in de geschiedenis van de Inuit een man was geweest die verliefd was geworden op een vrouwelijke walvis?

Jazeker, zeiden de Inuit – en dan kruipt er uit ’t linkerneusgat het walvisvrouwtje, en dat is zo roodblond en zo mooi mollig bloot, zogezegd een Groenlandse Venus van Botticelli.

Wie haar zag, was verloren, die móést haar liefhebben.

Nu was oom Cor niet meer te houden. En hoe kwam je met zo’n vrouwelijke walvis in contact? Nu, dat is eenvoudig, beweerden de Inuit. Vrouwelijke walvissen zijn erg bijziend: je steekt gewoon je blote been in het water, en dan denken zij, die wellustige wezens, dat het een walvispik is… en dan komen ze direct aanzwemmen.

Zien ze dan dat het een ‘mensenman’ is, dan gaat ’t linkerneusgat open, en het walvisvrouwtje kruipt eruit – en dan gaat alles volgens bekend scenario, zie hierboven.

Nou, oom Cor die nacht naar de rand van de open zee! En zijn been kordaat in ’t water gestoken! Eén, twee minuten. Vijf minuten! O, o, wat was dat water koud! Zeven minuten. En nergens een walvis te zien. Toen begreep oom Cor dat die Eskimo’s hem, Grote Blanke, bij de neus hadden genomen. Maar het was al te laat. Zijn been was inmiddels geheel en al bevroren en moest worden afgezet.

Zo was oom Cor dus aan zijn houten poot gekomen.

Kortom, allerminst een verhaal geschikt voor kinderoortjes. Zeker in de jaren vijftig. Vandaar dat wij, kinderen, dat dan ook nooit te horen kregen.

Aldus mijn broer Zef. Maar ja, dat is dus een sprookjesschrijver… ik geef zijn relaas hier dan ook voor wat het waard is…



Over de columnist

Manuel Kneepkens

M.M.M. (Manuel) Kneepkens (Heerlen, 26 februari 1942) is een Nederlands dichter, publicist, politicus en jurist-criminoloog. 

Na het gymnasium op het Bernardinuscollege ging hij in Leiden rechten en criminologie studeren. In 1971 vertrok hij naar de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Daar was hij 23 jaar docent strafrecht en criminologie.

Verontrustend gegeven
07 mrt
Verontrustend gegeven
De Esch is niet De Esj… het is: De Es
07 mrt
De Esch is niet De Esj… het is: De Es
Luchtafweer
28 feb
Luchtafweer
Ramadan
21 feb
Ramadan
Café Groenland  – een oom op de Kaap  (Deel 3) ​‘Katendrecht als hart van de wereld…
21 feb
Café Groenland – een oom op de Kaap (Deel 3) ​‘Katendrecht als hart van de wereld…
Cookies

Deze website gebruikt noodzakelijke cookies voor een correcte werking en analytische cookies (geanonimiseerd) om de statistieken van de website bij te houden. Marketing cookies zijn nodig voor laden van externe content, zoals YouTube-video's of widgets van Sociale Media. Zie ons cookiebeleid voor meer informatie, of om je instellingen later aan te passen.