Café Groenland – een oom op de Kaap (Deel 2) De Grande Dame van Maastricht
(vervolg van 7 februari)
Nu moet ik even iets kwijt over mijn moeder Maria ‘Mary’ Lambermont, zaliger gedachtenis. Ze was in de jaren vijftig met gemak de mooiste vrouw van Maastricht. En dan zult u zeggen: ja, dat zal wel, jij bent haar zoon, jij bent bevóóroordeeld. Maar heel wat Maastrichtse heren dachten er ook zo over. Sommigen verstoutten zich zelfs avances te maken. Maar daar ging zij niet op in.
Mijn moeder was hoogst vroom katholiek. En dat ging ver. Dat betekende in haar geval, behalve dat ze iedere morgen naar de vroegmis in de Sint-Servaas ging en uitsluitend boeken las van katholieke (Mauriac) of tot het katholicisme bekeerde auteurs (Evelyn Waugh), absolute monogamie!
Uiterlijk leek Maman toentertijd wel wat op… de Hollywoodster Liz Taylor. En ze was, zeker in mijn ogen, een minstens zo groot actrice. Maman was dan ook de spil van de in Maastricht zeer gerenommeerde r.-k. amateurtoneelvereniging “Sint Gelasius”. Jaarlijks had die vereniging zelfs een drama van Shakespeare op het repertoire!
Zo speelde mijn moeder bijvoorbeeld met groot succes Lady Macbeth! Als negenjarige kon ik mijn ogen niet geloven. Was dat mijn moeder, die bitch? Hoe kon ze dat zo goed?
Maar ook in het Maastricht van alledag speelde Maman met verve haar rol, namelijk die van Grande Dame van Maastricht. Als oudste dochter van de bierkoning van het Zuiden, Servaes Lambermont, meende zij daartoe gerechtigd te zijn, zo niet verplicht! Ongeveer zoals Beatrix koningin van Nederland was, zo was Maman koningin van Maastricht. Ik kan het niet anders zeggen.
“Mat!” viel dan mijn moeder verontwaardigd uit tegen mijn vader. “Stel je voor! Wij uit de beste kringen van Maastricht, wij in de rosse buurt van Rotterdam! In dat louche café van Cor, waar al die meiden komen! En dan die ordinaire vrouw van hem… Ze zijn niet in de kerk getrouwd. En zelfs niet voor de burgerlijke stand. Hij leeft in zonde met die del. Geen wonder dat God hem met een kunstbeen heeft gestraft!”
Rosse buurt? Meiden? In zonde leven? Door God gestraft? Wat was dat allemaal?
Maar ik, negenjarige, vroeg niets. En mijn broers al evenmin. Als kind in de jaren vijftig had het geen enkele zin om ook maar íéts aan een volwassene te vragen. Je kreeg toch nooit een zinnig antwoord. Zeker niet als het dat besmuikt gedoe van volwassenen, seks, betrof. En dat scheen op Katendrecht nogal aan de orde te zijn.
“En die Johnny Hoes, die vind ik zo ordinair met die zogenaamd pikante liedjes van ’m! Net als die door hem gepromote Zangeres zonder Stem! Daar wil je toch niet mee in één ruimte vertoeven! Die zeemansballaden van Cor zijn vast en zeker van hetzelfde laken een pak. Pure rauwe, volkse lolbroekerij! Dat heeft toch geen beschaving! Zo’n titel alleen al als De ballade van het schele oog van Japie Scheel… hoe verzin je het! Waarom niet De houten poot van ome Cor? Als het dan toch zo nodig over iemand met een handicap moet gaan, waarom zingt hij dan niet over die van hemzelf…? Dat zou dan nog iets van klasse hebben. Maar Cor en klasse! Laat me niet lachen,” viel Maman uit tegen mijn vader. “Mat, je wéét toch onder welke pijnlijke omstandigheden Cor aan dat kunstbeen gekomen is…”
“Jazeker, dat komt omdat…”
“Mát, niet waar de kinderen bij zijn…! Dat is geen verhaal voor kinderen! God zij dank noemt hij zich Cor Mundi. Stel je voor dat hij dat ongetwijfeld vulgaire plaatje uitbracht onder zijn eigen naam, Cor Lambermont. Dan zou toch onze naam, die van de voornaamste familie van Maastricht, toch zwaar bezoedeld zijn! Hoe zouden wij ons dan nog op de Groote Sociëteit kunnen vertonen! Ben blij dat Cor tenminste nog enige gêne heeft.”
“Cor Mundi… wat zou dat pseudoniem betekenen?” vroeg mijn vader zich hardop af.
(Wordt vervolgd op 21 en 28 februari)