Marco Pastors en de noodzaak van een 'merdeka'
Het Nationaal Programma Rotterdam Zuid gaat zijn twaalfde jaar in. Al die tijd had Marco Pastors de leiding. Hij heeft naar het schijnt tot 2033 bijgetekend. Er is vrijwel niets bereikt. Het ziet er naar uit dat de komende acht jaar evenmin veel terechtkomt van de torenhoge ambities Toch is er al ruim meer dan €400 miljoen uitgegeven.
Niettemin behoort Rotterdam Zuid tot de armste stadsdelen van Nederland.
Het Rijksprogramma Rotterdam Zuid mislukt voornamelijk door de insteek: het is een neokoloniaal project. Marco Pastors is de gouverneur generaal die de inboorlingen van Rotterdam Zuid wel eens eventjes zal beschaven. Van die mentaliteit legt hij getuigenis af sinds zijn aantreden in 2014. Regelmatig vetert hij de onderdanen uit omdat zij zich onvoldoende gedragen naar wat hij beschouwt als de Nederlandse normen en waarden. Pas als zij zich schikken in de door hem gewenste kaders, zijn ze acceptabel. De zeer diverse bevolking van Rotterdam Zuid is daarvan allerminst gediend. Ze laat zich niet provoceren tot verzet maar gaat stilzwijgend voorbij aan de social engineering van Pastors en consorten.
Wat dat betreft heeft hij veel gemeen met mr. B.C. de Jonge die destijds door Colijn naar Nederlands Indië werd gestuurd om daar als gouverneur generaal orde op zaken te stellen. Toen hij na enkele jaren ontslag nam, was elke hoop op een vredige doorgroei naar zelfstandigheid voor Indonesië vervlogen. Bij zijn afscheid kreeg De Jonge bezoek van drie Indonesische leden van de Volksraad, een soort nepparlement zonder bevoegdheden. In zijn memoires schrijft De Jonge daarover het volgende:
Toen zij binnen kwamen, Soetardjo, Prawoto en Datoek Toemenggoeng, vroeg ik hun te gaan zitten op de voor hen gereed gezette stoelen aan mijn bureau. Maar ze bleven daarvóór staanen Soetardjo haalde een groot papier uit den zak en begon een fraaie redevoering voor te lezen. De quintessens daarvan was: U hebt wel niet altijd naar onze inzichten en wenschen het bestuur gevoerd, maar wij hebben steeds geweten watwij aan U hadden en dat maakt het ons gemakkelijk het vele goede te waardeeren, dat onder Uw bestuur is tot stand gekomen. Daarvan willen wij getuigen en vóór Uw vertrek willen wij U daarvoor danken. - Deze woorden van dien kant waren wel zeer merkwaardig en ik kan niet ontkennen, dat ze mij troffen. Hierop paste van mijn kant geen officieele toespraak; ik verzocht hen te gaan zitten en samen nog eens te praten over hun verlangens en wenschen. In een hartelijk en vertrouwelijk gesprek weesik er hen op, dat er geen reden was om ontmoedigd te zijn, wat zij zoo dikwijlszeggen te zijn, als niet alles ging zooals zij dat zouden wenschen; dat de politiek van de Regeering er toch immers steeds op gericht was om inheemsche krachten te ontwikkelen en tot grootere zelfstandigheid te brengen; dat zij ervan op aan konden, dat geschikte krachten gebruikt zouden worden, wat de feiten bewezen, maar dat zij van hun kant zich niet moesten overschatten, wat juist Soetardjo kort tevoren in den Volksraad gedaan had door de Regeering er een verwijt van te maken, dat de leidende functies nog steeds in handen waren vanEuropeanen dat hij daarmede toonde nog geen besef te hebben van wat er noodig is voor het bestuur van een land als Indië in den tegenwoordigen tijd; of geloofde hij werkelijk zich op één lijn te kunnen stellen met mannen als Van den Bussche, De Kat Angelino[1],Van Buuren, Hart? En ook, als hij inzag dat niet te kunnen, dan was er nog geen reden voor ontmoediging, want dat zou zonder twijfel komen, maar dat ging niet van den eenen dag op den anderen, maar daar was tijd voor noodig en voortdurende toegewijde arbeid. Als zij nu maar hun plicht deden op de plaats, waarop ze gesteld waren, dan werkten zij ieder voor zich op de beste wijze mede aan de steeds grooter wordende zelfstandigheid van hun land. Met groote aandacht en ware of voorgewende instemming volgden zij mijne woorden; bij het weggaan bedankten zij mij voor de ontvangst en bogen zich diep over de hand,die ik hen reikte. Maken wij van zulke menschen geen tegenstanders door ze op te jagen, hun geleidelijke ontwikkeling te willen forceeren, hun denkbeelden op te dringen, die hun eigenlijk vreemd zijn, hen in een college als den Volksraad te brengen, waar zij slechts reden van bestaan hebben als zij oppositie voeren? Hun aard ligt niet in die richting.
Het is net of je Marco Pastors hoort over de luitjes in Rotterdam Zuid. Het is in deze geest dat hij probeert de boel te dirigeren. En daarom komt er zo weinig van terecht. Men laat hem lullen.
Eindelijk begint er serieus verzet te ontstaan tegen zijn geestelijke instelling. Kees Jonker heeft daarover hier op Vandaag en Morgen een inzichtelijk artikel geschreven.
De enige middelen om deze gouverneur generaal naar huis te krijgen, zijn breed gedragen moties van wantrouwen uit alle hoeken van Rotterdam Zuid. Anders zitten de bewoners tot 2033 aan hem vast. Neemt hij eerder ontslag, dan kan Pastors ook op een andere wijze een voorbeeld nemen aan B.C. de Jonge. Deze heeft na zijn aftreden als gouverneur generaal de rest van zijn leven hoegenaamd niets meer uitgevoerd. Dit was allen tot zegen.
Pastors vertrek zou een uitstekende aanleiding zijn het hele Rijksprogramma op te doeken. Wat er nog over is aan budget kan naar de gemeente, maar wel geoormerkt voor Zuid. Het is tijd voor 'merdeka'.
Lees hier de verbijsterende memoires van mr. B.C. de Jonge, beginnend met her relaas van zijn vader, die voor hém ging solliciteren in ambtelijk Den Haag en een mooi baantje scoorde.
[1] A.D.A. de Kat Angelino, auteur van het meerdelige Staatkundig Beleid en Bestuurszorg in Nederlandsch Indië, waarmee de regering zo verguld was dat ze vertalingen liet maken in het Frans, Duits en Engels. Prachtige groene delen, uitgegeven door Martinus Nijhoff en via Boekwinkeltjes.nl nog wel te vinden.
Redactie: Lees ook de repliek van Cok Nieuwenhuizen op het bovengenoemd artikel van Kees Jonker |