Coming Home for X-mas

26 december 2022 • 00:00 door Manuel Kneepkens
Coming Home for X-mas
`O, jongen, ik ben zo blij … Bld. Cottonbro px

Hij lag in een witmetalen ledikant, onder twee dunne dekens, maar koud had hij het niet.

De zeurderige warmte van een verwarming die continu aanstaat beheerste het vertrek. Heesters met grote dichtbebladerde takken wuifden voor het raam. Hun schaduwen tekenden zich grillig af op de linoleumvloer. Het was zo stil dat hij het nasale zoemen van de elektrische klok vlak boven de deur duidelijk kon horen.

Waar was hij?

Thuis bij zijn ouders tegen elven de trap opgegaan. De langdurige treinreis naar huis, met tweemaal overstappen en een te zware koffer toe, had hem erg afgemat. Vermoeid was hij tegenwoordig trouwens gauw. Waarvan bleef onduidelijk. Aan zijn studie deed hij niet veel en wat Marianne betrof, zijn verloofde; zijn verhouding tot haar was zonder problemen. Hij mocht bij haar slapen zovaak hij zin had en bijna schaamteloos over haar inkomen beschikken. Ze had een goed betaalde baan op een psychologisch adviesbureau voor beroepskeuze, als secretaresse. Nee, hij had niet te klagen.

De tijd was min of meer blijven stilstaan daar in dat slaapkamertje thuis bij zijn ouders. .

Plotseling kwam het bij hem op hoe hij vroeger, als schoolkind, eikels en kastanjes in de grond had gepoot – en wat was daarvan geworden? Zeker na verloop van tijd schoten er schamele miniatuurboompjes omhoog, maar onverbiddelijk had de herfst hen doodgeschoffeld, ieder jaar opnieuw. En was de herfst niet de boosdoener, dan de winter.

Met een ruk had hij het gordijn gesloten. Sentimentaliteit. Aan vroeger denken terwijl hij toch Marianne in zijn armen sluiten wanneer hij maar wilde! Haar naaktheid. Was ze maar hier!

Toen moest hij zijn ingeslapen.

En nu lag hij hier en het was zijn kamer niet noch zijn bed!

Waar ben ik?

Door de hoge waaiende heesters heen zag hij de onderste verdieping van een oud bakstenen gebouw met veel te geel gesausde raamkozijnen. Dwergachtige figuren in pyjama´s lagen daar net als hij voor zich uit te staren in bedden even smetteloos wit als het zijne.

Wat deed hij in een ziekenhuis?

Ik ben natuurlijk niet echt wakker, dacht hij. Ik droom dat ik wakker ben.

Dat komt voor. Gewoon uitliggen. Niets om me ongerust over te maken.


Nu ging de deur open en een vrouw in verpleegstersuniform kwam de kamer in. Heel verwonderde ogen had ze, heel lichtblauw, zo knikkerrond als die van een kinderpop. Sluik haar van onbestemde kleur dat ze zorgvuldig weggestopt hield onder haar stijfheldere verpleegsterskap. .

`Goede morgen´, sprak ze monter: `Ik ben zuster Haftinga. Dat heeft geduurd! We dachten die wordt nooit meer wakker. Maar gelukkig, u bent nog jong en sterk. Met Gods hulp komen we er wel weer bovenop, nietwaar, meneer Moresnet?´

Maarten Moresnet wilde zoiets als `Ja zuster´ mompelen, uit beleefdheid dan, want het bestaan van God was hem een duistere zaak, maar hij kon zijn tong niet bewegen. Er kwam geen geluid uit zijn keel.

`Met Gods hulp, nietwaar?´ herhaalde zuster Haftinga. Maar hij kon geen woord uitbrengen, kon geen spier van zijn lichaam bewegen bemerkte hij nu.

`Als u niet spreken kunt´, zei de zuster, ditmaal zonder een zweem van gemaakte vrolijkheid in haar stem: `Probeert u dan eens met uw hoofd ja te knikken?´

Hij kon het niet.

`Kunt u uw arm bewegen, meneer Moresnet?´

Maar de anders zo getrouwe mechanieken van armen en benen weigerden. Handen en voeten schenen wel van leem. Ik zou me nu toch ernstig zorgen moeten maken, dacht hij. Niet  kunnen lopen. Geen geluid uit mijn keel...

Maar het was net alsof het hem niet aanging. Alsof het het lichaam van een volstrekte vreemde was, dat daar in bed lag, blootgesteld aan de professioneel- onderzoekende blik van zuster Haftinga.

`Ik zie het al,´ klonk de stem van de zuster, de radiator van de verwarming kon niet neutraler wit zijn dan die stem: `Nog erg zwak. Maar we gaan goed voor u zorgen. Heus, u bent zó weer de oude. Niets om over in te zitten, meneer Moresnet.´

Ze boog zich zó dicht over hem om lakens en dekens nog rechter te schikken als ze al lagen, dat hij haar ruiken kon. Een geur van ether en appelbloesem. Dat laatste  een deodorant, waarschijnlijk.

`En dan nog een verrassing voor u! Bezoek! Uw ouders staan in de gang. En uw meisje is onderweg!´

Marianne! Zo meteen zou ze binnenkomen, hem kussen. Het golvende zwarte haar zou hij zien, haar grote Toeth-Ank-Amon-ogen, die hem zo verliefd hadden gemaakt. En zijn ouders kwamen! Die zouden hem toch eens moeten vertellen waarom hij hier zo lag. Dat hij dat niet vragen kon! Dat hij niets kon!

Nu schoven twee mensen aarzelend de kamer binnen. `Hallo jongen!´. Zozeer leken ze op zijn ouders, dat het wel een volle minuut duurde voor hij in de gaten had dat ze het niet waren…

De man stond rechter op zijn benen dan zijn vader, minder voorovergebogen. Veel magerder ook was deze man, haast Don Quichote-achtig… een soort van lachspiegelvariant van zijn vader, dát was het...

En de vrouw was ouder en ook duidelijk corpulenter dan zijn moeder. De laatste schoot nerveus naar voren, huilend, en begon hem onaangenaam te zoenen over zijn hele gezicht, en hij kon niets terugdoen.

`O, jongen van me! ´ snikte de vrouw: `Wat is dat erg! Wie had dat ooit kunnen denken!´

Opnieuw kierde de deur open. Marianne! Eindelijk. Hij merkte het pas toen ze ferm de armen om hem heen sloeg en hem vurig, ongegeneerd gulzig eigenlijk, op de mond kuste. ZE WAS HET NIET! Dit meisje was groter, en zeker, het haar was zwart, minstens zo zwart als dat van Marianne, maar veel krulliger. Haast negroïde. En… haar ogen waren niet groen! Daarin zou hij zich nóóit kunnen vergissen. Het had hem, toen hij nog maar pas aan haar kennis had, nogal gehinderd dat haar ogen niet BLAUW waren geweest. Hij had aan het vreemde groen moeten wennen. Op een goede dag had hij er niet meer buiten gekund. Hij had zich in haar ogen verliefd.

Intussen was het zeker niet onaangenaam de hartstochtelijke mond van dit onbekende meisje op de zijne. Marianne was nooit zo royaal met uitingen van liefde, althans niet in publiek… maar haar Ogen! Daar kon je uren door gefascineerd zijn.

Dat Marianne van hem was! Ik blijf haar eeuwig trouw, dacht hij, wat er ook mag gebeuren! Háár blijf ik eeuwig trouw.

Het meisje was inmiddels op een stoel gaan zitten. De vrouw snikte nog wat na, maar verder was het weer geheel stil in de kamer. Het zonlicht had zijn dekens bereikt, zag hij, contourde daar de bovenkant van het raam op af, de wajangdans van de heesters.

`Hoe is het op kantoor?´, vroeg de trieste ridderfiguur, zijn zogenaamde vader, aan het meisje.

Marianne werkte ook op een kantoor. Tenminste zo noemde ze het riante pand in de binnenstadwaar ze haar werk had. Het had er weinig van. Dat kwam vooral door de hoge Jugendstil-plafonds en de dito lambrisering van de wanden.

Het metalen Gispen-kantoormeubilair verzonk bij zoveel tierlantijnen geheel in het niet. Zelfs ‘s winters als de neonbuizen branden, leek elk vertrek nog een Fin de siècle -salon.

Eens, ver na kantoortijd, de beide doctorandi allang naar hun bungalows in de voorstad -  Marianne had toen overwerk -  had hij haar op de Gispen-bank getrokken; liefgehad daar onder dat Jugendstilplafond. 

Marianne! Zou hij haar ooit nog terugzien? Hij zag naar de elektrische klok en het leek net alsof iedere tik van de secondewijzer hem een nieuwe vraag stelde:

                                    Waar zijn mijn ouders?

                                    Waar is Marianne?

                                    Waar zijn mijn ouders?

                                    Waar is Marianne?

Opgelucht zag hij tenslotte zuster Haftinga verschijnen om het wonderlijke bezoek de gang op te loodsen. Dat nooit weer!

Winter. De heesters, kaal, zwiepten bij oostenwind als de tentakels van een reusachtige mier voor zijn raam op en neer, of stonden doodsstil, de schaarse keren dat het niet woei, net dunne sepia strepen op het rijstwit vlak van een Japanse prent. Je kon de patiënten in het paviljoen met de geelgesausde raamkozijnen nu ook veel duidelijker zien liggen. Hun hoesten. Hun verveling.

Ook glansde daar een kerstboom, want het was vlak voor Kerstmis.

Maarten Moresnet stond wankel naast zijn ledikant. Zuster Haftinga hees net zijn broek op, snoerde die vast met een riem om zijn lijf, want al zijn kleren waren hem te groot geworden.Want hij was sterk vermagerd. Om het de zuster gemakkelijker te maken hield hij zijn armen zoveel mogelijk omhoog.

Dit kón hij immers alweer, en ook voetje voor voetje door de kamer schuifelen, zo ongeveer als ouden van dagen dat doen achter hun rollators. Hij mocht vandaag dan ook naar huis!

`Fijn toch, dat u naar huis kunt! Uw ouders kunnen elk moment arriveren om u op te halen. ´ zei de zuster; terwijl ze zijn armen in de mouwen van zijn colbert wrong en dat vervolgens van voren dichtknoopte: `En Uw verloofde komt ook! Die zou mannen bij de vleet kunnen krijgen, gezonde mannen... Maar dat interesseert haar niet. Alleen u telt! Je houdt het gewoon niet meer voor mogelijk in deze tijd.´

Maarten Moresnet gaf haar geen antwoord, doodeenvoudig, omdat hij nog steeds niet kon spreken.

Nu kwam de vrouw die zich onderhand al sinds ruim een half jaar aan hem opdrong als `zijn moeder´ de kamer binnen in een dikke grijze mantel met een kraag van bont, want het was hartje winter. Ze begroette hem uitbundig. Zoenen. Ze zag er erg gelukkig uit, ditmaal. Zeker omdat hij het ziekenhuis uit mocht.

Aan Zuster Haftinga reikte zij, zijn zogenaamde moeder een fonkelnieuwe beige winterjas aan.

` Heb ik samen met Marianne voor je uitgezocht!´

Wat een onding, dacht Maarten Moresnet! Veel te wijde revers. En die ceintuur! Een jas voor Al Capone!

`De nieuwe mode, jongen!´

Zuster Haftinga hielp hem erin, efficiënt, zonder pardon.

`O, Maarten, ´ riep het meisje, dat nu ook was binnengekomen. `O, wat staat hij je beeldig. Laat me je eens kussen.´ Ze ging tegen hem aanstaan, haar gezicht tegen het zijne, aangenaam koud, en kuste hem.

`Straks kunnen we weer samen uit! Jij in je mooie jas, en ik, ik koop óók iets nieuws! Over een week heb ik weer salaris, dus het kan best.´

Je bent aardig, dacht hij, hèèl aardig eigenlijk, maar nee, háár blijf ik trouw. Hoezeer je ook op haar lijkt, je bent het niet! Ik weet dat haar ogen groen zijn. En de jouwe zijn blauw! Je bent het niet! Je bent het niet!

Nu duwde zuster Haftinga een rolstoel aan.

`Kom, mijnheer Moresnet, gaat u hierin maar eens zitten. Dan rijd ik u naar de uitgang. Daar wacht uw vader op u met de auto!´

Moeizaam nam hij plaats, daarbij geholpen door het meisje en de moeder.

Vervolgens laveerde zuster Haftinga de rolstoel de gang op, naar de uitgang. De moeder, die naast zijn schouder liep, sloeg  weer eens aan het huilen.

`O, jongen, ik ben zo blij … o, jongen, als je eens wist hoe we in angst hebben gezeten…´

In de lange, lange gang naar naar buiten, klonk zacht Kerstmuziek. Er bleken,  half verborgen achter dennengroen , kleine loudspeakers opgehangen, want er klonk Stille Nacht , Heilige Nacht.

Maar plots ook een veel swingender zang.'

 'O, dat is Mariah Carey. All I Want For Christmass Is You!' hoorde hij het Meisje zeggen: 'En dat is ook precies what I want, Maarten, alleen  jou! Niet alleen met Kerstmis! Altijd! Want ik hou  van je!”

Ik niet! Ik wil Kerstmis vieren met Marianne! Ik wil helemaal niets met jou!

Machteloze woede...! Hij had immers geen stem!

De gang bleek lang, eindeloos lang. Want op All I want for Christmass is you ! had hij nog een song te aanhoren van hetzelfde suikerzoete snit...

'Maarten, dat is Coming home for Chrismass, dè Kersthit ... niet van Mariah Carey, jammer genoeg,  ' zei het Meisje: “ ... van een  Duitse groep, die haar stijl imiteert. Bijzonder! Je kunt nauwelijks horen dat het Duitsers. zijn..zo Amerikaans klinken ze!

Toepasselijk, vind je niet, Lieverd? Want als er iemand naar huis komt voor Kerstmis...nou dan ben jij het wel!”

Ze naderden nu de uitgang. Door de glazen deuren heen kon hij zijn zogenaamde vader zien staan voor een zwarte Toyota. En zij hadden thuis een donkergrijze ! Hij was niet gek, dit waren zijn ouders niet!

Ik moet nu spreken, dacht hij, ik moet nú spreken, anders zal het nooit meer kunnen! Jullie zijn mijn ouders niet! Jij bent mijn meisje niet! Ik wil niet met jullie mee! Waar zijn mijn ouders? Waar is Marianne? Waar brengen jullie mij naar toe? Maar er kwam geen geluid van zijn lippen.

Open schoven de glazen deuren. Nu waren ze buiten.

In het ondergesneeuwde perk voor de ingang van het ziekenhuis bleek een reusachtige kerstboom  neergezet. Duidelijk hoorbaar de loudspeakers tussen de takken: Coming home for Christmas! Coming home for Christmas !

Zij schoven hem de rolstoel uit, merkten niet eens dat hij zich verzette. En zo, tussen hen in, min of meer van de grond getild, laveerden ze hem de auto in.

De Toyota startte, rondde het perk en gleed dan de Straatweg op. .

En het laatste wat hij zag, was zuster Haftinga, een eenzame witte figuur, die almaar zwaaide met een zakdoek, eveneens smetteloos wit, op de trappen.

Over de columnist

Manuel Kneepkens

M.M.M. (Manuel) Kneepkens (Heerlen, 26 februari 1942) is een Nederlands dichter, publicist, politicus en jurist-criminoloog. 

Na het gymnasium op het Bernardinuscollege ging hij in Leiden rechten en criminologie studeren. In 1971 vertrok hij naar de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Daar was hij 23 jaar docent strafrecht en criminologie.

Kerstmissertje
29 jan
Kerstmissertje
De Schreeuw
22 jan
De Schreeuw
Gevallen vrouw
15 jan
Gevallen vrouw
Het verdriet van Europa, een drama in vele bedrijven
13 jan
Het verdriet van Europa, een drama in vele bedrijven
Persoonlijkheidstest (reprint)
07 jan
Persoonlijkheidstest (reprint)
Cookies

Deze website gebruikt noodzakelijke cookies voor een correcte werking en analytische cookies (geanonimiseerd) om de statistieken van de website bij te houden. Marketing cookies zijn nodig voor laden van externe content, zoals YouTube-video's of widgets van Sociale Media. Zie ons cookiebeleid voor meer informatie, of om je instellingen later aan te passen.