dinsdag 24 november 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Foto hotel Bom
08
apr

Vakantie op Schouwen

In 1958 huurde mijn ouders voor het eerst een deel van een huisje in het Zeeuwse Burgh. De oudere bewoners verhuurden twee kamers en een zolder aan ons: twee Rotterdamse gezinnen met vijf kinderen. De vaders bleven afzonderlijk twee weken en de moeders met de kinderen vier weken.

De reis ging door Brabant naar het veer bij Zijpe – Anna Jacobapolder in een Renaultje 4 en duurde inclusief de pont ongeveer 5 uur.

Op ons vakantieadres woonden ook de twee oudere bewoners: Ome Jan en tante Bella. Als kinderen pikten we snel hun Zeeuwse tongval op, want ze spraken graag met ons, stadskinderen. Ome Jan had ooit een avontuur beleefd, hij was namelijk één keer in zijn leven naar Zierikzee geweest en daar moesten wij alles van weten. In rap Zeeuws vertelde hij ons: ‘In Zieriksiejestè de husse op de husse.’ Al snel begrepen wij dat hij bedoelde dat daar huizen met meerdere verdiepingen waren. In Burgh was er maar één hoog gebouw, namelijk: het waterreservoir van de stoomtrein, die voor de ramp van 1953 nog reed. Overal op het eiland waren trouwens nog ruïnes van boerderijen te zien, die tijdens de ramp bezweken waren.

Tante Bella luisterde ook ademloos, want zij was nog nooit verder gekomen dan Renesse. Hun oudste zoon Cor was een echte avonturier, want die was in militaire dienst geweest en dus zelfs van het eiland. Hij woonde in een klein huisje verder, dus van zijn avonturen hoorden we niets.

Ome Jan had alleen stompjes zwarte tanden, omdat hij was opgegroeid met een Zeeuwse babbelaar voor het slapengaan. Zaterdags kwam tante Bella met de boodschappen, waar ome Jan direct de pruimtabak uit plukte om heel tevreden een pruim te maken en die in zijn wang te schuiven. Als wij iets wilden vertellen over de stad, dan schudde hij ongelovig zijn hoofd, keek zijn vrouw aan en zei: ‘Tsà weh.’ (het zal wel).

Ik speelde al heel snel met drie broers, die tegenover ons woonden. We zwierven door de duinen en het bos. Soms gingen we in een boom aan het fietspad zitten en legden een portemonnee aan een draadje net zichtbaar half in de berm. Heerlijk als de fietsers afstapten en tevergeefs gingen zoeken tot ze ons in de boom zagen; ze werden nooit boos. Verder speelden we met andere kinderen uit Burgh verstoppertje. Er deden ook meisjes mee en met sommige meisjes gingen de jongens zich graag verstoppen; heel anders dan in de stad, waar meiden niet mee mochten doen. Uiteindelijk begreep ik ook waarom het verstoppen met een dorpsmeisje zo zijn voordeel had; het bleef bij friemelen natuurlijk. Wij stadskinderen liepen in alles voorop, behalve met dat aspect van het leven.

Ieder jaar als ik aankwam, schakelde ik in één seconde over op het Zeeuws dialect. Op een avond zei één van mijn vriendjes: ‘We gètalevisiekieke.’ Dat leek me een leuk idee, want in die tijd hadden slechts enkele mensen zo’n wonderbaarlijk apparaat. We stapten naar een woning waar vanaf de stoep naar binnen kon worden gekeken en tikten op het raam. De bewoners glimlachten en deden het raam open zodat we – buiten op straat – mee konden kijken en luisteren.

Na vijf jaar gingen mijn ouders kamperen en dan fietsten we van Rotterdam naar Numansdorp om daar de pont te nemen en vergat ik mijn vrienden uit het dorp. Van mijn moeder vernam ik later dat er gebakkeleid was over geld.

Jammer, maar het waren heerlijke tijden.

Foto VVV Zeeland

Deel dit bericht met je vrienden!

Ronald Sørensen

Ronald Sørensen

Ronald Sørensen (Rotterdam,1947) studeerde biologie en geschiedenis en was 32 jaar leraar in het voortgezet onderwijs. Hij is medeoprichter van Leefbaar Rotterdam en was van 2011 tot 2015 lid van de Eerste Kamer. Hij is sinds 2017 lid van FvD. Vanaf 2016 schrijft hij columns voor RV&M.

Overzicht columns