vrijdag 10 juli 2020

webZine over stad, cultuur
en wereld

Foto: Alek Dabrowski en Jeroen van Broekhuizen, bierdrinkend op het terras van café Walenburg, uit de tijd dat dit nog kon.
03
mei

Thuisdrinken

Deze Coronische tijd noopt de verstokte drinker tot het ombuigen van zijn normale patroon. Het krantje ’s morgens in de buurtkroeg is verleden tijd, net als het in alle rust tegen de bar aanleunen zo aan het eind van de middag, ondertussen de ene na de ander pils wegwerkend. Ook het nachtbraken maakt geen onderdeel meer uit van zijn weekendritme.

Er ontstaan vanzelf nieuwe gewoonten. Een ervan grijpt terug op de adolescentie of zelfs op de jaren ervoor: het thuisdrinken. Hier ligt de oorsprong van de drinkgewoonten van velen. Zelf verkende ik op twaalfjarige leeftijd regelmatig de drankvoorraden in het ouderlijk huis. Zoals in menig gezin was er een kast met allerlei likeuren en andere, vaak zoete dranken. Er was bij gelegenheid iets ingeslagen, dat na een paar maal proeven toch niet te zuipen bleek, zoals campari, schelvispekel, cointreau of rode dan wel witte martini. Drankjes die ik nu niet meer door mijn strot zou krijgen.

In menig gangkast van vriendjes stonden dit soort flessen half geopend te wachten op een argeloze drinker. Iets weggooien was in die tijd, eind jaren zeventig, niet de gewoonte. Dat drinken van alcohol op jonge leeftijd schadelijk kon zijn was toen geen wijdverbreide opinie. Hetzelfde gold voor roken. Bij familieverjaardagen stonden er altijd sigaretten op tafel en pafte iedereen de hele avond vrolijk door, of er nu kinderen in de buurt waren of niet. Maar goed, die drankkast had op ons pubers natuurlijk wel een zekere aantrekkingskracht. De eerste slok zoete alcoholtroep smaakte bijzonder goor. Daar moest je doorheen, begrepen wij. Aldus geschiedde.

Tijdens de Middelbare schoolperiode bestond onze gewenste levensinvulling niet uit huiswerk maken. Wij verlangden naar bier drinken en slap op een bank hangen. Thuis werden deze verlangens niet getolereerd, dus zochten we regelmatig ons heil in het park. De melkboer verkocht in die tijd gewoon flessen bier aan ons. Niemand vroeg naar leeftijden of identiteitsbewijzen. Maar laten we het niet overdrijven. Deze vlucht uit de kille schoollokalen vond misschien een of twee keer per maand plaats. De rest van de tijd hingen we noodgedwongen over onze schoolbank heen gebogen, het liefst met de ogen gesloten.

Het echte thuisdrinken kreeg pas vorm in de studententijd. Ik woonde, net als de meeste studenten, op een kamer waar niets aan kapot kon gaan. De kroeg bezoeken was eenvoudigweg te duur. Je moest wel thuisdrinken. In veel studentenwoningen werden op donderdagmiddag de weekendinkopen in huis gehaald. Tussen de opgestapelde kratten pils, gehaald waar de aanbieding het scherpst was, waren een brood, een pak pasta en wat zakken chips te onderscheiden. De hoofdmoot was alcoholisch. Het fijne van thuisdrinken, los van de kostenbesparing, was de mogelijkheid om eindeloos te ouwehoeren zonder gestoord te worden door zogenaamde volwassen meningen. Bovendien bestonden er geen sluitingstijden en kon je zelf je muziek kiezen en het deurbeleid bepalen. Voor de buren was het niet altijd een feest om naast een paar losgeslagen studenten te wonen.

Zo bekeken heeft het thuisdrinken louter voordelen. De oudere routinedrinker kan er direct op terugvallen, zou je denken. Helaas wordt het nooit meer zoals vroeger. Iedereen zit thuis in de eigen Corona-bubbel. Als student kwam je iedere week nieuwe mensen tegen. De gezelschap bij de thuisdrinksessies was elke keer anders van samenstelling. Nu ken je nog maar een paar vrienden die bereid zijn langs te komen om te drinken. Maar anders dan in de kroeg, kun je er niet tussenuit knijpen om naar huis te gaan, want je bent al thuis. Helemaal alleen drinken heeft weinig charme en is alleen weggelegd voor de zware alcoholisten onder ons. De gewone, eenzame drinker hoort in het café thuis, niet achter de geraniums.

Zo zal als vanzelf de consumptie van de gemiddelde kroegtijger afnemen. Hij ontdekt allerlei voordelen, bijvoorbeeld dat er voor negen uur ’s morgens al een hele wereld aan de gang is. Ondanks de Lockdown lopen er joggers in het park en hondenbezitters lijken al uren wakker te zijn. Je voelt de zuivere, nuchtere ochtendwind, heerlijk. Wakker worden zonder beneveling is een geheel nieuwe gewaarwording.  Zelfs zonder wijd openstaande ramen ruikt het op zondagochtend fris, en niet zoals vroeger naar het olifantenverblijf in Blijdorp. Nog even en je stopt helemaal met drinken.

Zo krijgt de Lockdown een maatschappelijk voordeel. Het drankmisbruik loopt terug. Dit zorgt meteen voor een afname van ongelukken en straatruzies. Ik las dat het aantal mensen dat noodlijnen belt met psychische klachten eveneens is afgenomen. Een verband met verminderde alcoholconsumptie sluit ik niet uit. Tot slot, de huidige toestand roept heerlijke nostalgische gevoelens op over tijden waarin het thuisdrinken heel gewoon was. Ik zwelg er bijna in. Maar laten we wel wezen, voor kroegbazen is deze crisis natuurlijk een grote ramp. En voor de gezelligheid hoef je de stad niet meer in. Het verlangen naar een grote koude pils op een prettig terras neemt bij mij soms hallucinerende vormen aan.

 

Deel dit bericht met je vrienden!