donderdag 21 oktober 2021

webMagazine over stad, cultuur
en wereld

Poldy Bld. Joyce cco
30
sep

Rotterdam regained

Gisteren, om ongeveer 3 uur ’s middags, ging ik het huis uit om een busje witte grondverf en een lamskotelet te kopen, maar ik kwam in een café terecht. Dat zal mijn trouwe lezertjes niet verbazen. Nee, eerlijk, dat was echt niet mijn vooropgezette bedoeling. Het regende en ik kocht een krant. Die moet je dan wel lezen, de grondverf kon wel even wachten, die karbonade eigenlijk niet. Het café had een prachtig interieur. Glas in lood raampjes met mooie voorstellingen. Een mooi uitzicht, waar je volgens de tachtiger Kloos, die wel eens een plek zocht om God met zijn diepste gedachten te confronteren, wel wat bij te drinken moet hebben. Bij het lezen van de krant trouwens ook. Het was de NRC, en die kost tijd. De vrouw des huizes was duidelijk iemand die de orde kon handhaven. Ha, daar heb ik je. Nee,het was geen stevige volumineuze vrouw, wat jij dacht, een – maar dat woord heeft helaas niet bedoelde connotaties – potige vrouw. Nee, zij was een tengere, slanke, keurig in zwart-wit geklede vrouw, met streng uiterlijk en zachtgrijze [woordcorrectie: slachtprijzen] ogen. Correcte bediening, zoals het hoorde en nog steeds hoort te behoren. Na mijn derde bier bood zij mij op een zilveren plateau een plakje leverworst aan. Dat overtuigde me om toch nog maar even te blijven en op jenever over te gaan. Wat heet, even. Een krant lees ik van alfa tot omega. En tijdens het lezen denk ik veel na. Sluitingstijd overviel me daarom wel een beetje. Ik had een tweede plakje leverworst aangeboden gekregen – nota bene, ik was nog nooit in dat café geweest – en daar bleek ik nauwelijks op te kunnen overleven. Ik besefte dat ik de karbonade wel kon ik vergeten, al deed ik dat niet. Gelukkig kwam ik op weg naar huis nog een café tegen waar ze nootjes hadden, waar ik niet eens voor hoefde te betalen. Uiteindelijk, diep in de nacht,kwam ik terecht bij Will’ns en Wetens. Daar stond een vrouw achter de bar, die ik nog niet kende. Zij was wel voluptueus, een bonk kracht en zachtheid. Zij vulde met haar aanwezigheid heel Will’ns en Wetens, alsook mijn glazen. Ik zal jullie hier niet meer over vertellen, moet je er zelf maar naar toe gaan. Ik had het gevoel dat ik in Antwerpen was. Jules draaide helaas geen jazz en Maria Callas draaiende Nico is al een paar jaar dood, maar daar stond veel tegenover. It’s a real motherfucker, zong de Surinamer naast me. Op weg naar huis kreeg ik als gevolg van mijn honger een soort achterwaarts fata morgana. Een lied over een nasibal begon in me te zingen. Thuis maakten een zielig bruin broodje van de Marokkaanse bakker en een blikje sardines hun opwachting. Leopold Bloom was tenminste zo verstandig geweest ‘s ochtends vóór zijn zwerftocht door de stad zijn lamsniertjes te kopen.

P.S. Will en Jules leven helaas nog slechts in onze herinnering voort. Maar wie was, pardon, ís Leopold Bloom?

Deel dit bericht met je vrienden!

Kees Koppenaal

Kees Koppenaal

Kees Koppenaal. Rechten, Leiden. Evolueerde van advocaat naar zwerver via 12 ambachten zonder ongelukken. Richtte in 2016 goede doelen stichting La Boya op om kinderen o.a. in Peru naar school te kunnen laten gaan, publiceerde in 2019 Zonsondergang in Zaachila, verhalen.

Overzicht columns