vrijdag 15 januari 2021

webZine over stad, cultuur
en wereld

Jaren zeventig: vlnr Jim Postma, Cor Vaandrager, Frans Vogel, Manuel Kneepkens
25
nov

Een avond in Eksit

(door Manuel Kneepkens) 

In 1976 kwam mijn eerste dichtbundel Tuin van Eetlust uit. Naar aanleiding daarvan werd ik uitgenodigd voor een avond met de weidse titel ‘Grande Parade van de Rotterdamse Dichters’ in het jongerencentrum Exit. Die gedenkwaardige gebeurtenis was georganiseerd door beeldend kunstenaar Ruut Ramseier*, toen staflid aldaar.

Hij had bij Martin Mooy van de afdeling Letteren van de Rotterdammse Kunststichting Duizend (!) gulden weten los te peuteren . “Als jij het voor elkaar weet te krijgen dat Jules Deelder én Cor Vaandrager op dezelfde avond gaan voordragen, dan zit die subsidie rond” En dat lukte Ruut. Als moderator van de avond trad de tekstschrijver Peter Bulthuis op. De Zalige van Zierikzee.

 De avond zou om acht uur beginnen. Ik was er al om kwart voor acht. Het was voor mij de eerste keer dat ik de andere dichters van Rotterdam zou ontmoeten, dus, zo dacht ik, laat ik maar wat eerder komen, dan kan ik uitgebreid kennis maken.

De enige die op dat moment in het Exit-gebouw aantrof – Bulthuis en Ramseier waren nog nergens te bekennen – was… Cor Vaandrager. Ongewassen, in zijn Junken-outfit.

“Wie ben jij? “vroeg hij: “Geen dichter, dat zie ik zo! ”.

“Sorry, dat ben ik wel ” zei ik: “En ik ben uitgenodigd om hier vanavond op te treden.”

“Ben je uitgegeven? Als je uitgegeven bent door een echte uitgever, dan denk je dat je een hele Piet bent. Maar dat zegt niks. Ware poëzie is van de straat! Maar dié poëzie wordt niet besproken. Daar kunnen die burgertrutten van recensenten van de NRC en de Volkskrant niks mee.

Eigen uitgave telt voor hen niet. Vanavond komt hier de helft van de mensen die gaan optreden met een dichtbundel in eigen beheer. Of zelfs zomaar met een handvol getypte papiertjes. Dat zijn de ware dichters. Laat me die bundel van jou eens zien! ”

Ik liet hem Tuin van Eetlust zien.

Cor bekeek de bundel langdurig. Er stond een portret van mij op de voorkant , een zwart-wit tekening op een helgele achtergrond, gemaakt door een gevluchte Chileens kunstenaar, aan wie het uitgeversconcern De Bezige Bij klaarblijkelijk ´goed´ had willen doen... Gevolg: het portret leek meer dat van een asielzoekende Chileense kunstenaar dan van mij…maar geheel afwezig was de gelijkenis niet.

“ Zo zo,” zei Cor Vaandrager: “ Jij hebt gepubliceerd bij de Bezige Bij! En ook nog met je portret levensgroot op de voorkant van je bundel! Jij denkt zeker dat jij heel wat voorstelt. Pas maar op, dat je zo meteen bij het voorlezen, niet door de mand valt. Heb je wel je eigen microfoon meegenomen?”

“Waarom zou ik mijn eigen microfoon meenemen? Ik mag toch aannemen dat er straks een microfoon is op het podium? ”

“Omdat àlles gemanipuleerd wordt! ”antwoordde de Vaan : “Alles in onze maatschappij! Zeker poëzieavonden. Want poëzie, geloof me, daar zijn ze schijtend bang voor, de autoriteiten!

Daarom zijn alle microfoons op poëzieavonden allemaal rechtstreeks verbonden met de BVD ( voorloper AIVD. M.K.) Ik weet het zeker. Feind hört mit! Want enkel dichters kunnen de samenleving veranderen.( Zowaar …een vroege, intuïtieve notie van de noodzaak van dichters in de politiek, moet ik achteraf vaststellen… M.K.) Enkel dichters! Speciaal ik! Speciaal mij houden ze dan ook in de gaten. Want ik ben de Rotterdamsche Mensch, the one and only. Ik ben de enige vrije mens van Rotterdam.

Drogen machen frei! Lees Timothy Leary maar! Of anders Allen Ginsberg! Drugs zijn gedichten voor de ziel. Die weten hoe het zit...” En Cor sloeg zijn jas open en daar bungelde om zijn hals een los stukje kabel met een microfoon eraan… 

Als ik al niet wist, dat Vaandrager ernstig door de drugs was aangetast, dan wist ik het nu zeker. Tijdens zijn woordenvloed had Vaandrager mij, waarschijnlijk om zijn betoog kracht bij te zetten, bij mijn revers gegrepen. Ook dat nog! Gelukkig kwamen Ramseier en Bulthuis nu binnen. Zij verzochten De Grote Rotterdamse Dichter dringend om mij los te laten. Wat hij zowaar deed. Om zich vervolgens luidkeels bij de heren te beklagen over de in zijn ogen geringe hoogte van zijn honorarium en of hij alvast een voorschot daarop kon krijgen…

De avond zelf was alsof ik in de Hades was afgedaald. Men kon de dichters daar in dat duistere jeugdhonk ruwweg verdelen in twee kampen. De drugsgebruikers en de alcoholici. Met hier en daar een overlap. Met uitzondering van Peter Bulthuis was er geen ‘normaal consumerend' mens bij. Naast mij zat Jules Deelder coke te snuiven.

Riekus Waskowsky, wiens poëzie ik bewonderde en met wie ik graag had kennis gemaakt, lag al spoedig starnakel dronken onder tafel. Tot kennismaking is het dus nooit gekomen. Een witbebaarde kabouter, straalbezopen. Toen hij aan de beurt was om voor te dragen uit zijn werk, deed hij een paar onmachtige pogingen om overeind te komen. En gaf te kennen dat de volgende dichter dan maar op moest treden. Dat was Rien Vroegindeweij.

Ook wankel ter been dankzij de overmaat aan gratis geschonken alcohol, die avond, maar nog niet tot algehele ‘eulalie’ vervallen à la Waskowsky. Hij droeg een parodie op Marmans Denkend aan Holland voor , Denkend aan Eksit die als volgt en zeer te zake eindigde:

eenzamen en zuipers
gebroken glazen
rokers en slikkers
in een lange trip
de nacht is er vol van
en de ochtend wordt langzaam
in grijze en grauwe
klanken gesmoord
en in alle hoeken
wordt de stem van de dealer
met zijn eeuwige zakjes spul
verwacht en gehoord

Daar in de duisternis van dat hol Exit, is toen de lumineuze (sic!) idee bij mij op gekomen een eigen tijdschrift te beginnen. Een Tijdschrift waarin de literatuur te Rotterdam, de poëzie in het bijzonder, serieus beoefend zou worden. Ik begreep dat aan het niveau van de Rotterdamse poëzie ernstig gesleuteld diende te worden.

Ik besloot ter plekke daarvoor als mederedacteuren uit te kiezen Bulthuis en Vroegindeweij als de meest aanspreekbaren. Later kwam daar nog Jana Beranovà bij.

En dat tijdschrift, dat is Rotterdams Mooi geworden. Het eerste nummer ( Zomer 1985) opende met twee gedichten van Erasmus: Carmen 46 (ca. 1499 ) en Epigrammende de quator novissimis (ca.1489) vertaald door Hans Trapman. Eigenlijk is het althans wat mij betreft, een verkapte beginselverklaring!  Want voor mij was en is Rotterdam de Stad van Erasmus.

Het Tijdschrift heeft… 4 nummers bestaan!

Naschrift Manuel Kneepkens: Wat mij bij het herlezen van deze tekst plots opvalt, is hoeveel van de daarin genoemden niet meer onder ons zijn... Ruut Ramseier, Martin Mooy, Peter Bulthuis, Cor Vaandrager, Jules Deelder, Riekus Waskowski. Allen wijlen

Noot: * Vlak daarna heeft Ruut Ramseier zijn baan bij Eksit opgezegd en is zijn carrière als autonoom beeldend kunstenaar begonnen. Samen met hem ontwierp ik een Beeld voor Pim. Wij vonden namelijk dat het ontwerp voor het beeld, dat uiteindelijk gekozen is en heden gerealiseerd staat voor de Rabobank tegenover het gebouw Bulgersteijn, buitengewoon nietszeggend
Dat beeld is een buste. Aan dat type beeld ontbreekt domweg een belangrijk onderdeel van het menselijk lichaam waar wijlen Pim Fortuyn nogal eens een beroep op placht te doen de onderbuik..
Het ontwerp Ramseier & Co, was heel wat gedurfder. Hoogst postmodern... De basis was een hoop paars geverfde stenen waar uit een zuil van Italiaans marmer oprees - de betreurde politicus was een hartstochtelijk Italofiel - en daar bovenop een ….kapotte televise. Er was immers een TV-peroonlijkheid vermoord. 
Dit prachtontwerp heeft dus de eindestreep niet mogen halen. Het ligt nu te vergelen in een kast van het Centrum Beeldende Kunst in Rotterdam. 

Eksit ergens eind jaren '70. Fotograaf niet bekend bij de redactie 

Hieronder een Eksit Poster uit december 1977: 

Dit is opnieuw bewerkte versie van eerdere teksten die verschenen in 'Eksit Krant, 09 2011 Isjoe' en op Stadsblog. 

 

Deel dit bericht met je vrienden!

Manuel Kneepkens

Manuel Kneepkens

M.M.M. (Manuel) Kneepkens (Heerlen, 26 februari 1942) is een Nederlands dichter, publicist, politicus en jurist-criminoloog. 

Na het gymnasium op het Bernardinuscollege ging hij in Leiden rechten en criminologie studeren. In 1971 vertrok hij naar de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Daar was hij 23 jaar docent strafrecht en criminologie.

Overzicht columns