zondag 11 april 2021

webZine over stad, cultuur
en wereld

Gelijksoortige mijnenveger op ansichtkaart
13
mrt

De ondergang van de 'Twee Gebroeders' (1)

Alweer vele jaren geleden vroeg een vriend me hem te helpen bij het overvaren van een oud schip dat in een Noord Hollandse haven lag: een voorpostkotter. Hij moest naar de museumhaven in Vlaardingen. Mijn ervaring met zeilen langs de kust zou van pas kunnen komen. Er was nog een vriend uitgenodigd en samen met de oud eigenaar zouden we met zijn vieren het schip naar de museumhaven varen.

Mijn vriend had dat schip, de Twee Gebroeders, gekocht om op te knappen. Gebouwd in de oorlogsjaren was het één van de weinige schepen die toen i.v.m. magnetische mijnen met een houten kiel uitgerust was. Hij was bestemd voor de visserij, maar had ook een militaire taak; vaak stond op het voordek een kanon (zie link)

Na een stevige avond passagieren bij ‘Tante Jannie’ het plaatselijke café met onze tijdelijke schipper Bouke - de laatste eigenaar van het schip - vertrokken we met een vrij ruwe zee (windkracht 6 ) in de ochtend om 4.00 uit de haven.

Voor we vertrokken zat de andere opstapper met een bekertje koffie op de railing. Bouke kwam voorbij greep hem bij zijn revers en gooide hem tegen de kajuit: ‘Nooit op de railing zitten jongen’ zei hij er vriendelijk glimlachend bij, daarna staken we van wal in de nog pikdonkere nacht. Omdat de boot nogal slingerde begonnen we buitengaats direct met het overboord gooien van allerlei metalen buizen, die het frame vormde van een tent waaronder ooit vis werd gefileerd. Nadat dit karwei geklaard was, voegde ik me bij Bouke op de brug. ‘Waarom in hemelsnaam zo verdomd vroeg afvaren?’ vroeg ik hem met een kater als een Bengaalse tijger. ‘Bij Den Helder zit kustwacht als die ons bij licht voorbij zien varen, sturen ze ons gelijk terug’ kreeg ik als geruststellend antwoord. Hij vervolgde: ‘Maak je geen zorgen, ik ken dit stukje water als geen ander. Trouwens de wind gaat wel liggen, denk ik’ Hij had gelijk, maar toch bleef het een vrij ruwe zee, zoals ik aan de andere opstapper merkte, die voortdurend de railing waar je niet op mocht zitten, bleef opzoeken. 

Toen het redelijk licht was, kwam mijn vriend naar de stuurhut en zei: ‘Er komt water in de machinekamer’ Bouke bleef aan het roer, nadat hij ons had gezegd de lenspomp maar aan te zetten. We gingen de machinekamer in en zagen water door de achterkant van het schip naar binnen sijpelen. Toen we de lenspomp wilde starten, bleek dat de v-snaar waarmee hij werd aangedreven nog met slechts enkele draadjes aan elkaar te zitten . Als die breekt zijn we nog verder van huis, was onze conclusie. Uiteindelijk vonden we een zwakstroom pompje en sloten dat aan, terwijl ondertussen het water binnen bleef sijpelen.

In de stuurhut deed in verslag van mijn bevindingen. Bouke legde uit dat houten schepen gaan rotten op de waterlijn. ‘Nu de motor aanstaat trekt de kont een paar decimeter onder die lijn en komt ‘r water naar binnen. Misschien met tape of iets proberen een beetje te dichten. Een stempeltje (doek met een houten steun) zetten lukt daar niet’  We gingen aan de gang, maar door de met tape vastgezette doek, begon ook vrij snel water te komen.

Ik ging weer naar de schipper en legde hem het probleem uit. ‘Komt er nu minder water door’ vroeg hij. ‘Denk het wel’ veronderstelde ik. ‘Weet je het zeker ‘vroeg Bouke, ‘want als er meer water inkomt dan je er met dat pompje uitgaat, dan zinken we’ ‘Fijn te weten’ antwoordde ik de schipper stoïcijns terwijl hij nonchalant zijn schouders ophaalde.

Ik stelde mijn vriend, die permanent in de machinekamer bleef, voor om als het water dreigde bij de motor te komen, de lenspomp toch maar aan te zetten en te kijken waar het schip zou stranden. Uiteindelijk was het zover en konden we niet meer anders. De V-snaar hield het en de machinekamer werd langzaam maar zeker droger. Ook de doek achter het lek leek minder water door te sijpelen.

Ondertussen waren we al flink gevorderd en zagen we schepen voor anker liggen die lagen te wachten tot ze in de sluis van het Noordzeekanaal geschut konden worden. Het zonnetje begon waterig te schijnen en de zee werd kalmer, toen het sonore geluid van de motor plotseling haperde en stopte. ‘Daar was ik al bang voor’ zei Bouke: ‘We hadden gisteren de oliefilter moeten vervangen in plaats van zelf in de olie te raken.’ Hou jij het roer maar vast en probeer hem zo goed en zo kwaad het kan op de golven te houden want het stroomt flink’ voegde hij me toe en hij verdween in de machinekamer.

De andere opstapper stond ondertussen naast me. De deining was gaan liggen en hij voelde zich al beter, maar rook nog een beetje zurig. Ik keek naar de schepen die voor anker lagen en zag dat één ervan het anker lichtte, want er kwam water uit het kabelgat.

Daar lig je dan stuurloos zonder motor aan de lage wal (wind stond West) in de vaargeul naar het Noorzeekanaal; geen florissante positie.

(vervolg in deel 2) 

Deel dit bericht met je vrienden!

Ronald Sørensen

Ronald Sørensen

Ronald Sørensen (Rotterdam,1947) studeerde biologie en geschiedenis en was 32 jaar leraar in het voortgezet onderwijs. Hij is medeoprichter van Leefbaar Rotterdam en was van 2011 tot 2015 lid van de Eerste Kamer. Vanaf 2016 schrijft hij columns voor RV&M.

Overzicht columns